direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Maas-Waalweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend document is het bestemmingsplan "Buitengebied, Maas-Waalweg" voor het grondgebied van de gemeente Zaltbommel. De Maas-Waalweg vormt de laatste infrastructurele verbinding tussen de kruising Maas-Waalweg - Delwijnsestraat - Wellseindsestraat in de gemeente Zaltbommel en de T-kruising Molenachterdijk - N832 in de gemeente Maasdriel.

Door realisatie van deze weg wordt de Maas-Waalweg doorgetrokken en is de verbindingsweg voltooid. De huidige Maas-Waalweg begint in Zuilichem, kruist de N 322 en loopt via Aalst en Nederhemert door tot aan de Delwijnsekade/ Wellseindsedijk ter hoogte van Delwijnen. Door het ontbreken van een geschikte route voor het (vracht)verkeer tussen de Maas-Waalweg en de N832-N831 rijdt het (vracht)verkeer op wegen die daarvoor niet geschikt zijn. Op deze routes fietst dagelijks veel schooljeugd. De combinatie van fietsers en vrachtverkeer op deze smalle wegen zorgt voor een gevoel van onveiligheid.

Met het doortrekken van de Maas-Waalweg komt een route beschikbaar voor doorgaand gemotoriseerd verkeer vanuit dit deel van de Bommelerwaard in zuidelijk richting en vice versa. Dorpskernen worden ontzien en doordat minder verkeer over de huidige routes rijdt, wordt het fietsverkeer veiliger. In combinatie met de onlangs gereconstrueerde Molen Achterdijk (N 832) ontstaat een goede ontsluitingsweg van en naar de A2 voor het zuidwestelijke deel van De Bommelerwaard.

Variantenstudie doortrekking Maas-Waalweg

Om te komen tot een voorkeurstracé van de doortrekking van de Maas-Waalweg is een variantenstudie doortrekking Maas-Waalweg (Arcadis, oktober 2012) uitgevoerd, zie Bijlage 10.

In de variantenstudie is in beeld gebracht welke tracé varianten er mogelijk zijn.  Gestart is met het opstellen van een set uitgangspunten en randvoorwaarden. 

Vanuit een brede inventarisatie en beoordeling zijn twee varianten geselecteerd, die het meest kansrijk/ realistisch zijn. Deze twee varianten zijn geoptimaliseerd en vervolgens ook uitgewerkt tot een concreet ontwerp. De twee varianten zijn beoordeeld op basis van ruimtelijke- en milieuaspecten, zodat de politiek een afweging kan maken voor een voorkeursvariant. 

Vanuit de uitgangspunten voor de Maas-Waalweg is gekozen voor een erftoegangs-weg buiten de bebouwde kom met een snelheidsregime van 60 km/uur. Daarnaast  is bij het ontwerp rekening gehouden met de landschappelijke inpassing, vanwege het waardevolle open landschap ter plaatse van de doortrekking. Met het  Waterschap is bekeken welke mogelijkheden er zijn om water en  natuurontwikkelingen te combineren met de ingreep van een nieuwe weg. Hiermee  is de uiteindelijke ligging van de varianten bepaald voor meerdere aspecten en afwegingen.   

De twee varianten die uit de eerste filtering zijn overgebleven, betreffen zowel een noordelijke als zuidelijke variant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0001.png"

Figuur 1.1: Overzicht variantenstudie wegtracé Maas-Waalweg

Beide varianten kennen voor- en nadelen wat betreft ingreep op het landschap,  doorsnijding van percelen, effecten op geluid en kosten. 

Voorkeurstracé

Met een afwegingsmatrix is aangegeven welke variant op welke aspecten beter scoort. Minst gunstig wil daarbij niet direct zeggen, dat het resulteert in negatieve effecten, maar alleen, dat de effecten minder zijn dan bij de andere variant.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0002.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0003.png"

Uit bovenstaande afwegingstabel met objectieve scores zonder daarbij een gewicht te hangen heeft de zuidelijke variant van de Maas-Waalweg de voorkeur. De voorkeur voor het zuidelijke tracé is door de gemeenteraden uitgesproken in 2013.

Deze voorkeursvariant is de basis van het voorliggende bestemmingsplan.

Rotonde

De variantenstudie (Arcadis, oktober 2012), zie Bijlage 10, biedt inzicht in de keuze voor het tracé op basis van een voorlopig ontwerp, hier zat geen rotonde in. Deze keuze voor een rotonde is gemaakt bij de latere uitwerking van het voorlopig ontwerp naar het definitief ontwerp. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft in haar vergadering van 26 mei 2016 besloten om een rotonde te realiseren op de locatie waar de huidige Maas-Waalweg verlengd wordt, namelijk op de huidige kruising met Delwijnsestraat en Wellseindsestraat. Redenen voor de keuze voor een rotonde zijn verkeersveiligheid en draagvlak. Aan deze zaken is een groter belang toegekend dan aan zaken als ruimtelijke inpassing. Een rotonde is qua verkeersveiligheid, met name voor (overstekend) fietsverkeer, de voorkeursoplossing. Het draagvlak voor een rotonde uitte zich onder andere op de informatiebijeenkomsten van 8 juni 2015 en 14 december 2015 waar het voorlopig ontwerp en het daarna uitgevoerde kruispuntonderzoek werd gepresenteerd. Een groot deel van de aanwezigen sprak de wens uit voor een rotonde in plaats van een “gewone” kruising.

1.2 Plangebied

In onderstaande drie afbeelding is het wegontwerp in drie kaartbladen weergegeven vanuit noordelijke richting (aansluiting huidige Maas-Waalweg - Delwijnsestraat - Wellseindestraat) richting het zuiden (Molenachterdijk). De ontwerptekeningen zijn ook als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0004.png"

Figuur 1.2: Overzicht wegtracé Maas-Waalweg

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Gemeente Maasdriel

De Maas-Waalweg wordt vanuit Zaltbommel na de kruising Maas-Waalweg / Delwijnsekade / Wellseindsestraat doorgetrokken op het grondgebied van de gemeente Maasdriel.

De vigerende bestemming van deze gronden is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Buitengebied, Binnendijks deel' dat op 22 februari 2006 en op 17 oktober 2006 is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Gelderland. Daarnaast is ook de het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2009, reparatieplan vastgesteld op 26 januari 2012 van toepassing en onherroepelijk door de uitspraak van de Raad van State op 24 oktober 2012.

De gronden waarop de Maas-Waalweg wordt aangelegd zijn momenteel bestemd als 'Agrarisch gebied met Landschaps- en Cultuurhistorische waarden' (artikel 4). Daarbij zijn de gronden aangewezen als 'karakteristiek komgebied' (artikel 4), 'waterberging zoekgebied' (artikel 25.2) en 'watergang' (artikel 4.1). Het noordelijk deel van het plangebied is door middel van de groene kaders aangemerkt als gebied met 'aardkundig waardevol terrein' (artikel 4.6.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0005.png"

Figuur 1.3 Verbeelding vigerend bestemmingsplan Buitengebied, Binnendijks deel gemeente Maasdriel. Globaal is de nieuwe weg als blauwe lijn weergegeven.

Gemeente Zaltbommel

De huidige Maaswaalweg en de kruising van deze weg met de Delwijnsekade en de Wellseindsestraat zijn gelegen binnen de gemeente Zaltbommel. De vigerende bestemming van deze gronden is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel' dat op 27 juni 2013 is vastgesteld en onherroepelijk in werking is getreden op 17 september 2014.

De bestaande wegen zijn bestemd als 'Verkeer' (artikel 22). De watergang aan de oostzijde van de weg is bestemd als 'Water'. Het perceel Delwijnsestraat 25 is bestemd als 'Bedrijf' en heeft als bedrijfswoning een directe relatie met de bedrijfsgebouwen van het perceel Delwijnsestraat 58. Aan de oostzijde van de Delwijnsestraat 25 zijn twee woonpercelen aanwezig aan de Delwijnsestraat 21 en 23.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0006.png"Figuur 1.4 Verbeelding vigerend bestemmingsplan Buitengebied gemeente Zaltbommel. Globaal is de nieuwe weg als blauwe lijn weergegeven.

1.4 Leeswijzer

In de toelichting van voorliggend bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de beleidskaders. De planeffecten als gevolg van het doortrekken van de Maas-Waalweg worden in hoofdstuk 3 besproken. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de juridische aspecten en de regels van het bestemmingsplan. Tot slot bevat hoofdstuk 5 een toelichting op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Beleidskaders

2.1 Nationaal niveau

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. De structuurvisie vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Mobiliteitsaanpak. Verschillende nationale belangen zijn opgenomen in de AMvB Ruimte, die met de structuurvisie in procedure is gebracht. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en op de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden.

In de structuurvisie maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten.

Voor de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is een planMER opgesteld, dat voor de principiële beleidskeuzes de milieu-informatie verschaft. Op basis daarvan kan de Rijksoverheid een weloverwogen besluit nemen. Ook wordt eenieder op basis van het planMER geïnformeerd over de gevolgen van het voorgestelde beleid. Tevens is elke principiële beleidskeuze getoetst op de mogelijkheid van significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

De exacte gevolgen van het loslaten van ruimtelijke regels kunnen niet van tevoren worden ingevuld, omdat deze afhankelijk zijn van de manier waarop decentrale overheden zelf invulling geven aan het beleid. Daarom zijn in het planMER de effecten binnen een bepaalde bandbreedte in beeld gebracht.

De nationale ruimtelijke belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (de zoals hierboven beschreven AMvB Ruimte).

Relatie met Rijksbeleid

Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio's rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Daarbij gaat het om:

  • de haven van Rotterdam en Schiphol;
  • de Brainport Zuidoost-Nederland;
  • de Greenports Venlo, Westland-Oostland, Aalsmeer, Noord-Holland Noord, Boskoop en Bollenstreek;
  • Energyport in Groningen;
  • Food Valley in Wageningen;
  • Health Valley in Nijmegen;
  • Maintenance Valley in West- en Midden Brabant;
  • Utrecht Science Park en de nanotechnologie in Twente en Delft.

Deze stedelijke regio's beschouwt het Rijk van nationale betekenis en hiermee gaat het Rijk samen met decentrale overheden aan de slag. Ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid.

Conclusie

Door het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavig project, heeft dit geen raakvlak met dit nationaal beleid.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Voor de ruimtelijke onderwerpen die de rijksoverheid van 'nationaal belang' acht, heeft de Minister van Infrastructuur & Milieu een beschermende regeling opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient een gemeentebestuur bij het vaststellen van een ruimtelijk plan de algemene regels van het Barro in acht te nemen.

Conclusie

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de AMvB Ruimte, is op 30 december 2011 in werking getreden, met uitzondering van enkele onderdelen. De voorgenomen ontwikkeling is echter niet in strijd met de nationale belangen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Per 1 oktober 2012 is deze ladder als motiveringseis in artikel 3.1.6, tweede en derde lid van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder is een instrument waarmee vraag en aanbod van stedelijke functies goed op elkaar afgestemd worden.

De ladder duurzame verstedelijking gaat uit van drie treden:

  • 1. bepalen regionale vraag naar ruimte;
  • 2. bouwen binnen bestaand stedelijk gebied;
  • 3. goede (multi-modale) ontsluiting.

Onderzocht moet worden of er wel behoefte is aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wordt niet al elders in de regio voorzien in deze behoefte? En is er wel vraag naar deze voorziening? Blijkt er behoefte te zijn waarin in de regio niet al voorzien wordt, dan geldt de regel dat inbreiden gaat boven uitbreiden.

Herstructurering en verbetering van bestaande terreinen dan wel transformatie van bestaande gebouwen heeft de voorkeur boven het ontwikkelen van nieuwe terreinen en gebouwen. Ten slotte moet de locatie door meerdere vervoerswijzen ontsloten worden. De gemeente zal bij nieuwe ontwikkelingen moeten onderbouwen op welke manier met deze voorwaarden rekening is gehouden en waarom voor een bepaalde ontwikkeling op de voorgestelde locatie is gekozen.

In het Bro is stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Het begrip ‘andere stedelijke voorzieningen’ is niet omschreven in het Bro. Op grond van recente uitspraken van de Raad van State is vast komen te staan dat infrastructurele projecten niet onder stedelijke voorzieningen worden gerekend. (ECLI:NL:RVS:2015:82, 14 januari 2015)

In de uitspraak (ECLI:NL:RVS:2015:448, 18 februari 2015) zoekt de Afdeling aansluiting bij de nota van toelichting bij het Bro. Hierin is opgenomen dat de minister van Infrastructuur en Milieu op 14 november 2011 aan de Tweede Kamer heeft toegezegd om een handreiking beschikbaar te stellen. Deze is in oktober 2012 vastgesteld. In die handreiking staat dat onder het begrip ‘overige stedelijke voorzieningen’ wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. De Afdeling oordeelt vervolgens dat gelet op de nota van toelichting, maar ook de strekking van de ladder (die er mede op gericht is leegstand tegen te gaan) de in het bestemmingsplan voorziene weg niet wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro.

Conclusie

Dit project betreft daarom geen duurzame verstedelijking. Een beargumentatie van de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.

2.2 Provinciaal niveau

Omgevingsvisie (juli 2015)

De Maas-Waalweg is gelegen in de regio Rivierenland. De regio Rivierenland wordt gekenmerkt door:

  • groen open gebied, omzoomd door rivieren;
  • ruimte voor dynamiek en ontwikkeling, met name vrijetijdseconomie, agribusiness en logistiek;
  • balans zoeken tussen koesteren, vernieuwen en benutten.

De inzet van de gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers en provincie is nodig om in te spelen op de opgaven in Rivierenland. De gezamenlijke inspanningen en opgaven richten zich op vier speerpunten:

Logistiek

  • centrale ligging van de regio benutten;
  • ontwikkelen van een hoogwaardig logistiek voorzieningenniveau en bereikbaarheid;
  • versterking logistieke sector, ook in relatie tot PlanMER: Locatie-afweging logistiek Rivierenland.

Agribusiness

  • de ambitie om tot de top-5 van de Europese tuinbouwregio's te horen;
  • versterking en innovatie van de volgende sectoren: fruitteelt, paddestoelenteelt, glastuinbouw en laanboomteelt;
  • beleidsuitwerking ruimtelijke consequenties van de ontwikkelingen in deze sectoren.

Vrijetijdseconomie

  • versterking van de sector en ondernemerschap;
  • ontwikkeling van nieuwe attracties en verblijfsrecreatie;
  • uitwerking van de Kansenkaart visie R&T (recreatie en toerisme) 2012-2015, ook in relatie tot PlanMER: Kansenkaart Recreatie en Toerisme Rivierenland.

Vitaal Platteland

  • een passend voorzieningenniveau in kernen en dorpen;
  • schaalvergroting en verbreding van de agrarische sector;
  • functieverandering van de agrarische bebouwing;
  • ontwikkeling van ruimtelijk beleid met provinciaal kader en lokaal maatwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0007.png"

Figuur 2.1: uitsnede kaart omgevingsvisie provincie Gelderland

In de gemeente Zaltbommel is een klein deel van het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied, Maas-Waalweg gelegen in het waardevol open gebied, het gearceerde gebied in zie figuur 2.2.

In het wegontwerp is met dit gebied rekening gehouden door de bestaande verharding niet uit te breiden het waardevolle open gebied in. De huidige Maas-Waalweg in het open gebied blijft gehandhaafd waarbij de rotonde oostelijk van de huidige Wellseindsestraat / Delwijnsestraat wordt gerealiseerd. Voor overige gronden van het plangebied die gelegen zijn in waardevol openbaar gebied wordt geen afbreuk gedaan omdat aan de randen van waardevol open gebied is gelegen en de ontwikkeling zeer beperkt is van omvang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0008.png"

Figuur 2.2: uitsnede kaart Waardevol open gebied uit de omgevingsvisie provincie Gelderland

Omgevingsverordening

Het plangebied is aangewezen voor diverse ontwikkelingen. Uit de omgevingsvisie volgen in ieder geval:

  • 1. Glastuinbouw in overige gebieden
    • a. In de overige gebieden zijn de mogelijkheden voor uitbreiding beperkt tot eenmalig 20%, gerekend vanaf de datum van de inwerkingtreding van de Omgevingsvisie en –verordening.
    • b. In bijzondere situaties kan hier onder voorwaarden van afgeweken worden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de Omgevingsverordening.
  • 2. Verwevingsgebied niet grondgebonden veehouderij. In de verwevingsgebieden zijn meerdere functies met elkaar verweven. In dit gebied zijn drie aspecten aan de orde.
    • a. er is groei mogelijk voor ondernemers om het bedrijf te ontwikkelen voor zover andere functies in de omgeving daarvoor ruimte bieden;
    • b. nieuwvestiging is niet mogelijk;
    • c. er kunnen meerdere functies (ook niet-agrarische bestemmingen) naast elkaar bestaan in dit gebied. Dit is een gemeentelijke afweging.
  • 3. Windenergie uitgesloten vanwege wettelijke beperkingen (voor de noordwesthoek van het plangebied mede gelet op de woonkernen).
  • 4. Windenergie mogelijk (voor de zuidoosthoek van het plangebied).

In de omgevingsverordening is het plangebied bovendien aangewezen voor:

  • 1. Tijdelijk verbod op nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging van glastuinbouw op grond van artikel 2.4.8;
  • 2. Verbod op nieuwvestiging van niet grondgronden veehouderijbedrijven op grond van artikel 2.5.4 (zie ook de omgevingsvisie).

Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorg te dragen voor goede ruimtelijke ordening en omgevingsbeleid hanteert de provincie een zogenaamde duurzaamheidsladder, een processchema dat alle mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven, stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze.

Nadrukkelijk wil de provincie de ladder inzetten voor het ‘goede gesprek’ over ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven. In de Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking is de Rijksladder van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geïncorporeerd. Doelen van de Gelderse ladder zijn:

  • Begeleiden van de bundeling van de verstedelijking in Gelderland en op gepaste wijze ruimte geven aan spreiding van stedelijke functies in landelijk gebied. De provincie faciliteert het actuele veranderingsproces van nieuwbouw naar beheer en vernieuwing stedelijk gebied;
  • Bij verstedelijking in eerste instantie de focus leggen op de bestaande voorraad aan gebouwen (denk aan hergebruik en transformatie) en in tweede instantie aan bestaande voorraad aan gronden (denk aan nieuwbouw), beide in stedelijk gebied;
  • Bevorderen van vraaggerichte programmering waarbij de behoefte aan de betreffende stedelijke functie centraal staat en aangetoond moet worden;
  • Bijdragen aan duurzaam ruimtegebruik. Dat betekent onder andere dat het stedelijk gebied niet bij voorbaat volgebouwd moet worden. Er zijn redenen van stedenbouwkundige, ecologische en sociaal-culturele aard om open plekken in het stedelijk weefsel te handhaven en te versterken;
  • Betere benutting van multimodale knooppunten en meer aandacht voor passende ontsluiting
  • Bijdragen aan kwaliteitsborging door aan de gealloceerde ruimtelijke - stedelijke - ontwikkelingen of initiatieven, zowel in stedelijk als in landelijk gebied, bij te laten dragen aan de bestaande of potentieel te ontwikkelen kwaliteiten van de betreffende plek of het omringende gebied;
  • Stimuleren van overtuigende motivering in ruimtelijke plannen.

In de Gelderse ladder is nadrukkelijk het streven gekoppeld, overeenkomstig de sturingfilosofie, om aan ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven in redelijkheid kwaliteitsprestaties te vragen. Daarbij onderscheidt de ladder drie niveaus: basiskwaliteitsprestatie (B), aanvullende kwaliteitprestatie (+) en top-kwaliteitsprestatie (Q). Welk niveau wordt gevraagd is afhankelijk van de concrete ruimtelijke en economische (beleids)context. Algemeen stelregel is het streven naar een goed evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en de kwaliteitsprestatie c.q. investering in kwaliteit van de leefomgeving.

De Gelderse ladder stelt geen eisen ten aanzien van nieuwe infrastructuur.

Conclusie

De realisatie van de Maas-Waalweg past binnen het provinciaal beleid. De aanleg van de weg zorgt voor een verbetering van de leefbaarheid in de kernen Wellseind en Delwijnen en draagt bij aan een goede bereikbaarheid en logistieke route in de regio Rivierenland.

2.3 Regionaal niveau

Waterplan Bommelerwaard (Gemeente Maasdriel et al, 2007)

Waterschap Rivierenland heeft samen met de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel een waterplan voor de stads- en dorpskernen in de Bommelerwaard opgesteld. Tijdens workshops hebben ook bewoners en belangenorganisaties hiervoor hun inbreng geleverd.

Zowel het bestuur van het waterschap als de beide gemeenteraden stemden in juni 2007 in met het waterplan en het bijbehorende maatregelenpakket. De maatregelen worden tot en met 2015 uitgevoerd.

Relevante maatregelen die in het waterplan genoemd worden zijn:

  • het aanleggen van meer open water, zodat regenwater beter opgevangen kan worden;
  • De aanleg van flauw aflopende oevers (zogenaamde natuurvriendelijke oevers). Deze bieden goede kansen voor planten en dieren en kunnen bovendien meer water bergen.

Ambitiedocument 2016-2020 Regio Rivierenland

In het ambitiedocument schrijven de tien samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland, welke speerpunten de regio versterken, wat de ambities hiervan zijn en wat de visie is op het waarmaken ervan in de komende periode van vier jaar.

Het ambitiedocument gaat uit van drie speerpunten voor een ijzersterke regio, Agribusiness, Economie en Logistiek, Recreatie en Toerisme.

Uit het speerpunt Economie en Logistiek volgt het streven naar een fileloos gebied. De congestie op de rijkswegen A2/A15 neemt echter toe. Aansluitingen van provinciale wegen op deze hoofdstructuren blijft een aandachtspunt. De lobby voor een veilige en bereikbare A2/A15 blijft noodzakelijk. Om verdere congestie te voorkomen, worden op termijn noodzakelijke aanpassingen aan deze rijkswegen voorzien.

Conclusies voor het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan regelt de verlening van de Maas-Waalweg en zorgt voor een verbetering van de verkeersstructuur. De verbetering van de verkeersstructuur zorgt voor een betere regionale bereikbaarheid en leefbaarheid in de omliggende kernen waar het doorgaand verkeer verminderd.

2.4 Gemeentelijk niveau

2.4.1 Gemeente Maasdriel

Structuurvisie en plan-MER gemeente Maasdriel:

Op 20 oktober 2011 heeft de raad de 'Structuurvisie en plan-MER gemeente Maasdriel vastgesteld.

Deze structuurvisie is de actualisering van de StructuurvisiePlus Maasdriel 2004-2014 en is daarnaast de ruimtelijke vertaling van de 'Visie Maasdriel 2020+', die op 3 juli 2008 door de raad is vastgesteld.

De structuurvisie is een kaderstellend plan, dat duidelijkheid geeft over de plannen en beleidsstukken, die voor de gemeente Maasdriel van belang zijn. Het uiteindelijke ruimtelijke beleid van de gemeente Maasdriel wordt de komende jaren ingevuld door het uitvoeren en uitwerken van tientallen projecten. Hierbij gaat het om woningbouw (in alle segmenten en prijscategorieën), ontwikkeling van bedrijventerreinen en concentratiegebieden voor glastuinbouw en paddenstoelenteelt. Ook aan recreatieve initiatieven en landschap- en natuurontwikkeling wordt aandacht besteed.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0009.png"

Figuur 2.2: Structuurvisiekaart gemeente Maasdriel met project 69: doortrekken Maas-Waalweg

In de structuurvisie is als project 69 het doortrekken van de Maas-Waalweg opgenomen. In de visie staat over dit project het volgende beschreven.

Er wordt al jarenlang gesproken over het doortrekken van de Maas-Waalweg in oostelijke richting. De huidige Maas-Waalweg loopt van de Van Heemstraweg (N322), onder Zuilichem, via Aalst naar Delwijnen. Door de weg daar door te trekken naar de provinciale weg N831 worden de verkeersproblemen rond Wellseind en Delwijnen opgelost. Ten aanzien van het doortrekken van de Maas-Waalweg worden door de respectievelijke colleges de belangen voor Zaltbommel en Maasdriel als gelijkwaardig onderkend. Het verkeer wat in de toekomst van de Maas-Waalweg gebruik gaat maken, heeft hoofdzakelijk een herkomst/bestemming in de gemeente Zaltbommel.

Overlast van dit verkeer wordt ondervonden op grondgebied van beide gemeenten. De nieuwe route komt grotendeels binnen de grenzen van Maasdriel te liggen. Bestuurlijk overleg met de provincie Gelderland heeft ertoe geleid dat er vanuit het oogpunt van verkeersafwikkeling er sprake is van een gemeentelijke weg. Het initiatief ligt daarom bij de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel. Vanwege de fietsveiligheid op de Welsseindsedijk voelt de provincie Gelderland zich wel aangesproken voor deelname aan dit project.

Mobiliteitsplan Maasdriel 2020 (Via, 2008)

Het Mobiliteitsplan, vastgesteld in april 2009, is een uitwerking van de Visie Maasdriel 2020+ op het gebied van verkeer. In het plan is aangegeven welke maatregelen nodig zijn om het verkeer in de gemeente Maasdriel in goede banen te leiden.

Ten aanzien van de Maas-Waalweg wordt in het mobiliteitsplan het volgende aangegeven.

West-Bommelerwaard

De route Achterdijk-Oude Rijksweg wordt verbeterd, zodat de kernen Ammerzoden en Wellseind en de omliggende dijken minder worden belast met vrachtverkeer. Om dit effect te optimaliseren is het noodzakelijk om de verbinding tussen de Maas-Waalweg en de Achterdijk te realiseren. In overleg met de gemeente Zaltbommel moet worden bepaald op welke manier deze verbinding wordt gerealiseerd.

Ammerzoden

Het verbeteren van de route Achterdijk-Oude Rijksweg en het doortrekken van de Maas-Waalweg hebben ook voor Ammerzoden een functie. Het noordelijk deel van Ammerzoden (met name bedrijventerrein Uilecoten) kan via deze route ontsloten worden. Daarnaast zorgt deze route voor een vermindering van de druk op de ontsluitingsroute Haarstraat-Hogesteeg-Bernseweg in Ammerzoden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0010.png"

Figuur 2.3: Overzichtskaart mobiliteitsplan

2.4.2 Gemeente Zaltbommel

Structuurvisie Buitengebied Zaltbommel

De gemeente Zaltbommel heeft een structuurvisie voor het buitengebied opgesteld. Deze structuurvisie is op 15 maart 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie is te vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl (Referentienummer: NL.IMRO.0297.BGBSVG20110019-VS01).

Het plangebied van de Structuurvisie Buitengebied bestaat uit het binnendijks en buitendijks gelegen buitengebied met uitzondering van de uiterwaarden langs de Waal. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen het ruimtelijk beeld voor de lange termijn weer. De structuurvisie wordt een belangrijk toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de structuurvisie.

In de structuurvisie staat hoe de gemeente wil omgaan met onder meer het agrarisch gebied, glastuinbouw, natuur en landschap, herontwikkeling van vrijgekomen agrarische percelen, recreatie en water in het buitengebied. Als onderbouwing heeft de gemeente een milieueffectrapport (een planMER) opgesteld. Dit rapport beschrijft de te verwachten milieueffecten van het ruimtelijk beleid uit de structuurvisie.

Onderdeel van de structuurvisie is de indicatieve aanduiding van de doortrekking van de Maas-Waalweg bij Delwijnen en de verlegging van de N322 nabij Zaltbommel. De doortrekking van de Maas-Waalweg is in onderstaande uitsnede van de visiekaart (figuur 2.4) weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0011.png"

Figuur 2.4: Uitsnede structuurvisie buitengebied gemeente Zaltbommel

Op termijn streeft de gemeente het doortrekken van de Maas-Waalweg waarmee een ontbrekende schakel voor het (vracht)verkeer wordt gerealiseerd.

2.5 Conclusies beleidskader

De realisatie van het doortrekken van de Maas-Waalweg is verankerd in het beleid van de gemeente Maasdriel en de gemeente Zaltbommel. Het project voldoet ook aan het regionale-, provinciale- en Rijksbeleid. Na bestuurlijke afstemming met de provincie Gelderland is geconcludeerd dat er vanuit oogpunt van verkeersafwikkeling sprake is van een gemeentelijke weg, maar dat de provincie Gelderland betrokken blijft in relatie tot (fiets)verkeersveiligheid. Vanuit deze afspraken is het bestemmingsplan voor de Maas-Waalweg opgesteld.

Hoofdstuk 3 Planeffecten

3.1 Externe veiligheid

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen in bepaalde situaties het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor bestaande situaties wordt het niveau van 10-5 per jaar als grenswaarde gehanteerd, 10-6 per jaar geldt als richtwaarde. Voor nieuwe situaties geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar. Een richtwaarde is daarbij niet van toepassing

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.

Het is voor de realisatie van de Maas-Waalweg ook van belang om te beoordelen of de nieuwe weg relevante buisleidingen doorkruist en of er over de nieuwe weg relevant vervoer van gevaarlijke stoffen plaats kan gaan vinden.

Onderzoek

Het nieuwe wegdeel wordt niet beschouwd als (beperkt) kwetsbaar object. Hierdoor hoeft er geen toetsing aan risiconormen en geen verantwoording van het groepsrisico vanwege relevante risicobronnen in de omgeving van deze weg plaats te vinden.

Op basis van de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in de directe nabijheid van het nieuwe wegdeel een inrichting, waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is, aanwezig is. Het betreft een bedrijf met een grote propaantank. Deze tank is op het perceel gelegen waarbij de risicocontour van 40 meter de nieuwe weg niet raakt.

Relevante buisleidingen

Hogedruk aardgasleidingen en defensieleidingen voor transport van brandbare vloeistoffen (bijvoorbeeld kerosine), inclusief belemmeringenstroken langs deze leidingen zijn relevant vanuit het oogpunt van Externe Veiligheid. Uit de risicokaart blijkt dat het nieuwe wegdeel geen EV-relevante buisleidingen doorkruist.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0012.png"

Figuur 3.1: uitsnede risicokaart ter hoogte van het plangebied

Transportroute gevaarlijke stoffen

De Maas-Waalweg en de toekomstige doortrekking is geen route voor gevaarlijke stoffen. Over het nieuwe wegdeel kan EV-relevant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het gaat dan met name om propaantankwagens voor het bevoorraden van propaantanks bij (agrarische) bedrijven in het buitengebied. Gelet op de locatie van de propaantanks nabij de Maas-Waalweg, de gemiddelde doorzet van propaan bij agrarische bedrijven en de onbebouwde omgeving van het nieuwe wegdeel is het ook duidelijk dat er geen PR 10-6 contour ligt buiten het nieuwe wegdeel en het groepsrisico verwaarloosbaar is.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de aanleg / doortrekking van de Maas-Waalweg.

3.2 Natuur

Wet- en regelgeving

De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende Natuurtoets wordt niet ingegaan op de bescherming van houtopstanden.

Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.

Toetsing

Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd (april 2017) en opgenomen in Bijlage 2 van onderhavig document. Het onderzoek is opgedeeld in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voortkomend uit de soortenbescherming komen een aantal verplichte voorwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming.

De conclusies uit de Natuurtoets zijn in onderstaande paragraaf samengevat.

Conclusies gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland

Binnen het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. Ook heeft de planontwikkeling geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland buiten het plangebied. Er is daarom geen noodzaak voor een compensatieplan.

Natura 2000

Het plangebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden en de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Vervolgstappen zoals het opstellen van een voortoets, zijn dan ook niet noodzakelijk.

Conclusies soortenbescherming

Binnen het plangebied zijn geen beschermde soorten aanwezig die onoverkoombare negatieve effecten ondervinden. Echter dient wel rekening te worden gehouden met vliegroutes van vleermuizen, de aanwezigheid van broedvogels in het plangebied en de algemene zorgplicht.

Vleermuizen

De Hoofdwetering vormt mogelijk een vliegroute voor watergebonden vleermuizen. De functie als vliegroute blijft tijdens de realisatie en eindfase behouden. Door voorwaarden te stellen aan de uitvoering kunnen tijdelijke effecten als gevolg van lichtverstoring worden voorkomen. Indien beperkende voorwaarden (mitigerende maatregelen) gedurende de realisatie ongewenst zijn wordt aanbevolen de functie van de Hoofdwetering als vliegroute voor vleermuizen nader te onderzoeken (zie paragraaf 6.1.2). Hiermee wordt de noodzaak tot mitigerende maatregelen inzichtelijk.

Broedvogels

Voor de voorgenomen werkzaamheden waarbij bomen en gebouwen verwijderd of aangepast worden, dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen (globaal half maart tot en met juli).

Er zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming aan de orde indien ten minste één van de volgende maatregelen genomen worden:

  • 1. De werkzaamheden aan de bomen en gebouwen wordt buiten het broedseizoen uitgevoerd (voorkeursmaatregel). Of in deze periode wordt het plangebied ongeschikt gemaakt voor broedvogels.
  • 2. Het plangebied wordt kort voor aanvang van de werkzaamheden door een erkende ecoloog gecontroleerd op actuele broedgevallen; bij gebleken aanwezigheid van broedende vogels moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot na het broedseizoen.

Zorgplicht

In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage I staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

Overzicht

In onderstaande tabel worden de soorten weergeven die in het plangebied aanwezig zijn en/of worden verwacht en waar nader onderzoek naar uitgevoerd moet worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0013.png"

Faunapassage

In het kader van de aanleg van de weg is de vraag gesteld of een faunapassage onder de weg ter hoogte van de Hoofdwetering nuttig al dan niet noodzakelijk is. Op dit moment vervult de Hoofdwetering slechts beperkt de functie van ecologische verbinding. De watergang is in het provinciaal beleid ook niet aangewezen als te ontwikkelen ecologische verbinding. Landzoogdieren kunnen de verbinding niet gebruiken doordat perceelsloten dwars op de Hoofdwetering een fysieke barrière vormen, evenals de oostelijk gelegen kruising van de watergang met de Walderweg (N832) en de Vamerenweg. Daarnaast ontbreekt een substantiële hoeveelheid oevervegetatie die nodig is al schuilgelegenheid. Soorten als libellen, vlinders, vogels en vleermuizen maken nu wellicht wel gebruik van de verbinding. Deze soorten kunnen na aanleg van de brug onder de brug door, of er over heen. Extra voorzieningen om aanrijdingen met deze soorten te voorkomen zijn niet nodig. Dit komt door de relatief lage verkeersintensiteit van de toekomstige weg en het beperkt functioneren van de Hoofdwetering als ecologische verbinding.

Samenvattend kan gesteld worden dat nut en noodzaak voor een faunapassage niet kan worden onderbouwd vanuit de huidige aanwezige soorten of doelsoorten.

3.3 Waterhuishouding

Beleid Waterschap

Voor de waterhuishouding zijn door waterschap Rivierenland een aantal uitgangspunten opgegeven.

  • 403787-Overleg waterschap Rivierenland m.b.t. Maas-Waalweg
  • Kaart legger wtgn en peilscheiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0014.png"

Figuur 3.2: uitsnede van de digitale legger van Waterschap Rivierenland

Waterpeilen

De Maas-Waalweg wordt gerealiseerd in twee peilgebieden. De aansluiting op de Delwijnsestraat- Wellseindsestraat is gelegen in peilgebied BOM164 (zie figuur 3.2). Het grootste deel van de weg ligt in het peilgebied BOM154 tot en met de aansluiting op de Molenachterdijk.

In het peilgebied BOM154 is het zomerpeil is +1.00m t.o.v. N.A.P en het winterpeil + 0.80m t.o.v. N.A.P. Voor het peilgebied BOM164 geldt een zomer- en winterpeil van + 1.00m t.o.v. N.A.P.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0015.png"Figuur 3.3: Ligging van de peilgebieden in het plangebied

Drooglegging

Voor de drooglegging van de weg wordt de gebruikelijke norm van +1.00m gehanteerd. Het waterpeil in het gebied van de weg is +1.00m t.o.v. N.A.P., dus dit betekend dat de as van de toekomstige Maas-Waalweg op +2.00m t.o.v. N.A.P. kom te liggen.

Zaksloten

Doordat de Maas-Waalweg wordt aangelegd in een dakprofiel zullen er aan weerszijde van de weg zaksloten moeten worden aangebracht. Dit om ervoor te zorgen dat er geen water blijft staan in de omliggende weilanden. Doordat deze zaksloten aangesloten zijn op de omliggende watergangen kan er gekozen worden voor een zeer minimale zaksloot. De zaksloten zijn 1.00 meter breed en 0.50m diep met een talud van 1:1.

Watercompensatie

Voor de watercompensatie hebben we de formule gebruikt die op de website van waterschap Rivierenland staat gebruikt namelijk:

A(toename verharding) x 463m3/ha=m3/0.30(toelaatbare peilstijging)=m2 oppervlakte water.

Door de doortrekking van de Maas-Waalweg hebben we een toename van 8.663 m2 aan verhard oppervlak, wat neer komt op 0.8663ha.

0.8663x463=401m3/0.30= 1.336 m2 te compenseren oppervlaktewater. In het ontwerp is een watergang getekend met een lengte van 518 meter en een wateroppervlak met een breedte van 2.60 m. Dit komt dus neer op 1.346 m2 gecompenseerd wateroppervlak.

De watergang heeft een zomerpeil van +1.00m en een diepte van 0.50m. De taluds zijn aan beide zijdes 1:2 met een bodembreedte van 0.60m. De resterende watergangen die zijn gedempt waren B-watergangen en konden dus 1:1 worden gecompenseerd.

Duikers

Er wordt bij de kruising van Maas-Waalweg, Delwijnsestraat en de Wellseindsestraat een A-watergang gekruist. Om de doorstroming van deze watergang te garanderen stelt het waterschap Rivierenland een duiker met de minimale diameter 1000 mm, deze is dan ook toegepast in het ontwerp. De definitieve berekening van deze duiker volgt nog. De overige watergangen die worden gekruist betreffen B-watergangen, voor deze watergangen stelt waterschap Rivierenland dat hier kan worden volstaan met een duiker met de minimale diameter van 500 mm.

3.4 Milieu

3.4.1 Geluid

Door de realisatie van de Maas-Waalweg wijzigen de verkeersstromen op de bestaande wegen en wordt er een nieuwe verkeersstroom gerealiseerd. De bestaande wegen Delwijnsestraat (door de kern Delwijnen) en de Wellseindsestraat (door de kern Wellseind) zullen minder doorgaand verkeer verwerken en daarmee verkeersarmer worden.

Voor de diverse wegen rondom het plangebied is onderstaande analyse gemaakt op basis van de toekomstige verkeersstromen. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan.

In het akoestisch onderzoek is de groene afscherming tussen de Maas-Waalweg en de woningen langs de Delwijnsestraat meegenomen in het ruimtebeslag.

Omdat hier sprake is van een hekwerk met opgaande (gevarieerde) beplanting is er geen sprake van een geluidscherm en is dit hekwerk akoestisch gezien ook niet relevant voor de geluidberekeningen. Wel is de afstand tussen gevel(s) van gevoelige objecten en de wegas van de Maas-Waalweg meegenomen in de berekeningen.

Weg over de azelaar

Dit betreft een doodlopende weg met een minimale verkeersintensiteit. De aanpassingen op deze weg vormen geen belemmeringen voor het plan omdat de geluidbelasting vanwege deze weg relatief laag is.

Molenachterdijk, Weigraaf, Wellseindsestraat en Delwijnsestraat

Uit de berekeningen blijkt dat voor de Wellseindsestraat/Delwijnsestraat het geluidniveau Lden in de huidige en toekomstige situatie op omliggende woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er wordt een toekomstige geluidbelasting berekend van ten hoogste 52 dB. De geluidbelasting ten opzichte van de huidige situatie neemt echter af. De wijziging van de weg betreft om die reden geen reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Doordat de geluidbelasting lager wordt in de nieuwe situatie hoeft het bevoegd gezag ook geen hogere waarde vast te stellen. De uitkomst valt te relateren aan de afname in verkeersintensiteit (zie de tabel 4.1 en 4.2 in Bijlage 4).

Maas-Waalweg

Uit de berekende resultaten blijkt dat bij de aanleg van de nieuwe weg een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ontstaat bij een tweetal woningen. Op de woning aan de Molenachterdijk 6 komt een geluidbelasting van 49 dB. Met het toepassen van een stiller wegdektype (SMA-NL5) over 120 meter wordt bij de woning Molenachterdijk 6 voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0016.png"

Figuur 3.4: Toepassing SMA ter hoogte van de Molenachterdijk 6 (Blauw wegvak)

Na het toepassen van de bronmaatregel ter hoogte van de Molenachterdijk 6, resteert enkel bij de woning aan de Wellseindsestraat 11 een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Maas-Waalweg van 52 dB. Vanwege de ligging van de woning nabij een rotonde is het toepassen van een overdrachtsmaatregel in deze situatie niet mogelijk. Hiervoor dient een hogere waarde te worden vastgesteld zoals opgenomen in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0017.png"

Tabel: Overzicht vast te stellen hogere grenswaarden (incl. toepassing
bronmaatregelen) Wgh (incl. 5 dB aftrek ex art. 110g Wgh)

Voor alle woningen waarvoor het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststelt, dient met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek te worden onderzocht of deze woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau kunnen voldoen.

Bij de berekening van de geluidsbelasting op de gevel dient te worden uitgegaan van 57 dB (geen aftrek Wet geluidhinder).

Uitstraling

Voor woningen gelegen buiten het reconstructiegebied van deze wegen is van zogenaamde ‘uitstraling van de reconstructie' geen sprake in verband met de afname in verkeersintensiteit.

Voor woningen gelegen buiten het reconstructiegebied van deze wegen is sprake van toename in verkeersintensiteit. Als gevolg van de toename in verkeersintensiteit van de Maas-Waalweg neemt de geluidbelasting 0,2 dB. Als gevolg van de toename in verkeersintensiteit van de Weigraaf neemt de geluidbelasting 0,4 dB toe. Van zogenaamde ‘uitstraling van de reconstructie' is dan ook geen sprake.

3.4.2 Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in onder meer de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in de AMvB-NIBM. In de AMvB-NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Onderzoek

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Het voorgenomen plan voor het doortrekken van de Maas-Waalweg maakt een nieuwe ontwikkeling mogelijk.

Verkeersintensiteiten

De verwachte etmaalintensiteit in 2020 bedraagt 4.600 motorvoertuigen op een werkdag. Conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig heeft het verkeer op alle kruispunten voorrang van rechts. Daar waar nodig, worden doorsneden percelen rechtstreeks ontsloten op de nieuwe weg. Vanwege de functie van erftoegangsweg, maakt ook landbouw- en fietsverkeer gebruik van de weg. In het bijzonder het fietsverkeer wordt niet gestimuleerd gebruik te maken van de nieuwe weg. Bestaande fietsroutes blijven namelijk behouden. Doordat de nieuwe weg juist verkeer aantrekt van deze routes (Delwijnsestraat -1.400; Wellseindsedijk - 1.850), zal het gevoel van onveiligheid op deze wegen afnemen. In de 4.600 mvt/etmaal is ook opgenomen het extra verkeer (+/- 1.500) dat de Maas-Waalweg aantrekt als gevolg van de doortrekking.

Effecten Natura2000-gebieden

Op basis van de nieuwe verkeersgegevens is een stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator uitgevoerd. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx), of één van beide. Hiermee is de depositie van de activiteit berekend en uitgewerkt. Op basis van de gekozen rekeninstellingen zijn de resultaten op Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt, zie Bijlage 7.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0018.png"

Figuur 3.6: Uitsnede Aeriuscalculator

Gelet op de ligging van het plangebied van de Maas-Waalweg (zie figuur 3.6) en de zeer grote afstand tot omliggende Natura2000-gebieden volgt dat er geen depositie plaatsvindt in natuurgebieden.

In de Aeriuscalculator is globaal het tracé van de weg ingetekend en is uitgegaan van een worst-case situatie waarbij de emissie van de nieuwe weg als geheel nieuwe ontwikkeling is beoordeeld.

Dit is echter van ondergeschikt belang om dat zelfs bij een andere plaats van de weg en een veel hogere verkeersintensiteit de depositie nog niet relevant is.

Effecten luchtkwaliteit door aanleg Maas-Waalweg in de (directe) omgeving

De gemeenten Zaltbommel en Maasdriel hebben het voornemen om de Maas-Waalweg aan te leggen. Hierdoor ontstaat een betere ontsluitingsweg voor het gebied en wordt een aantal wegen door de kernen ontlast van het doorgaande verkeer. Door de realisatie van de Maas-Waalweg wijzigen de verkeersstromen op de bestaande wegen en wordt er een nieuwe verkeersstroom gerealiseerd.

In het kader van de ruimtelijke procedure is een onderzoek uitgevoerd naar de concentraties luchtverontreinigende stoffen zie Bijlage 9. Daarbij zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) uitgerekend op een groot aantal maatgevende beoordelingspunten in en rond het plangebied.

Op basis van onderhavig luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming. Omdat op alle beoordelingspunten ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden kan eveneens worden geconcludeerd dat sprake is van een “goede ruimtelijke ordening”.

Heersende achtergrondconcentraties

Het is ook zinvol om de heersende achtergrondconcentraties van de luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Het RIVM stelt deze concentraties beschikbaar via haar geodatasite met de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). Voor de huidige situatie is uitgegaan van metingen uit het jaar 2015 (geodata.rivm.nl/gcn). Voor de belangrijkste stoffen NO2, PM2,5 en PM10 zijn de achtergrondwaarden in Maasdriel ter hoogte van de Maas-Waalweg respectievelijk 17,5 µg/m3 voor Stikstofdioxide (NO2), 11,82 µg/m3 voor Fijnstof (PM2,5) en 19,19 µg/m3 voor Fijnstof (PM10). Deze achtergrondconcentraties voldoen ruimschoots aan de drempelwaarden uit de Wet luchtkwaliteit van 40 µg/m3 voor Stikstofdioxide (NO2), 25 µg/m3 voor Fijnstof (PM2,5) en 40 µg/m3 voor Fijnstof (PM10).

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmeringen voor realisatie van de Maas-Waalweg.

3.4.3 Bodem

In opdracht van Gemeente Maasdriel is door Antea Group in de periode oktober - november 2015 een milieukundig onderzoek uitgevoerd in het kader van het project Maas-Waalweg, zie Bijlage 5.

Doel onderzoek

Het doel van het onderzoek is meerledig:

  • Het vaststellen van de kwaliteit en opbouw van het vrijkomende asfalt en eventueel onderliggend (verdacht) fundatiemateriaal.
  • Het bepalen van de bodem- en waterbodemkwaliteit.
  • Inzicht verkrijgen in de hergebruiksmogelijkheden van grond, bagger, asfalt en fundatiemateriaal.
  • Het bepalen van veiligheidsmaatregelen en vaststellen in hoeverre vervolgacties noodzakelijk zijn.

Asfaltonderzoek

Binnen alle wegvakken zijn teerhoudende asfaltlagen aanwezig. Onverdachte asfaltlagen op basis van PAK marking blijken na uitvoer van DLC-analyses niet teerhoudend te zijn.

Een deel van de onderzochte wegvakken is niet als (geheel) homogeen te beschouwen. Gezien de vele toegepaste te onderscheiden asfaltlagen wordt aanvullend onderzoek om te komen tot herziene homogene vakindelingen niet zinvol geacht. De vraag is in hoeverre het mogelijk is om de thans te onderscheiden schone asfaltlagen selectief te verwijderen. Gezien de heterogeniteit van de asfaltlagen wordt separaat verwijderen niet rendabel geacht. Voorgesteld wordt de resultaten van het asfaltonderzoek te overleggen met een acceptant.

Voor zover aanwezig is de fundatielaag (grind en basalt) onverdacht. Gezien de onderzoeksdoelstelling zijn deze lagen vooralsnog niet onderzocht.

Verkennend bodemonderzoek

Incidenteel zijn in de bovengrond verhoogde gehalten aan cadmium en PAK (<0,5 index) aangetroffen. Voor het overige zijn in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen aangetoond.

In het grondwater zijn verhoogde concentraties aan barium (<0,5 index) aangetroffen. In één enkel grondwatermonster wordt de index waarde van 0,5 overschreden (0,54). Incidenteel zijn verhoogde concentraties aan nikkel en zink (<0,5 index) gemeten.

Toetsing hypothese

De vooraf opgestelde hypothese onverdachte locatie wordt verworpen, vanwege de incidenteel verhoogde gehalten aan cadmium en PAK in de grond en de verhoogde concentraties aan barium en de incidenteel verhoogde concentraties aan nikkel en zink in het grondwater.

Gezien de beperkte overschrijding van de index waarde voor één parameter in slechts één grondwatermonster, wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Afhankelijk van het definitieve wegontwerp dient mogelijk aanvullend onderzoek ter plaatse van de opritten/bruggenhoofden te worden verricht.

Verkennend waterbodemonderzoek

Alle onderzochte baggerspecie wordt beoordeeld als vrij verspreidbaar in oppervlaktewater of op het aangrenzende perceel. Met uitzondering van de baggerspecie uit vak 2 (MM2-1) wordt alle baggerspecie beoordeeld als vrij toepasbaar in oppervlaktewater dan wel op of in de bodem.

De bagger uit vak 2 is toepasbaar als klasse A in oppervlaktewater dan wel klasse Wonen op of in de bodem.

Aanvullend verkennend bodemonderzoek

Na afronding van het verkennend bodemonderzoek (‘Milieukundig onderzoek Maas-Waalweg’, Antea Group, projectnr. 403892, d.d. 3 juni 2016) zijn aanvullingen op de originele scope gevraagd in het kader van het definitieve ontwerp. Deze zijn aanvullend onderzocht, zie Bijlage 6 en betreffen de volgende onderwerpen:

  • Ter plaatse van de kruising Maas-Waalweg/Wellseindsestraat/Delwijnsestraat is een ontwerp met een rotonde in beeld gekomen. Als gevolg hiervan dient de bodem- en waterbodemkwaliteit van delen van de betrokken percelen aanvullend onderzocht te worden.
  • Ter plaatse van een viertal dammetjes verderop langs het beoogde tracé dient de aan- dan wel afwezigheid van asbest (aanvullend) te worden vastgesteld.

Verkennend bodemonderzoek rotonde

Incidenteel is plaatselijk een verhoogd gehalte (<0,5 index) aan nikkel gemeten. Voor het overige zijn in de zintuiglijk schone boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan onderzochte stoffen gemeten.

Toetsing hypothese

De vooraf opgestelde hypothese onverdachte locatie wordt aanvaard. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

Verkennend waterbodemonderzoek rotonde

De baggerspecie uit vak 10 is beoordeeld als niet verspreidbaar in oppervlaktewater en verspreidbaar op het aangrenzende perceel. De baggerspecie uit vak 11 is beoordeeld als verspreidbaar in oppervlaktewater of op het aangrenzende perceel.

Toetsing hypothese

Alle baggerspecie wordt beoordeeld als klasse B voor het toepassen in oppervlaktewater en klasse Industrie voor het toepassen op of in de bodem.

Verkennend asbestonderzoek (dammen)

In de zintuiglijk meest verdachte lagen van de onderzochte dammetjes zijn geen verhoogde gehalten aan asbest aanwezig.

Toetsing hypothese

Ter plaatse van de onderzochte dammetjes is niet langer sprake van een verdachtheid op asbest.

3.4.4 Archeologie

Wettelijk kader

In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de verantwoordelijkheid voor archeologie(beleid) grotendeels bij de gemeentelijke overheid neergelegd. Gemeenten dienen archeologie te borgen in hun ruimtelijk beleid, bijvoorbeeld door dubbelbestemmingen voor archeologie op te nemen in bestemmingsplannen. Om dat te kunnen doen hebben veel gemeenten een archeologische beleidskaart opgesteld. Op basis van deze kaart kan archeologie in bestemmingsplannen worden verwerkt. De gemeente Maasdriel en Zaltbommel hebben beiden een eigen archeologische beleidskaart opgesteld.

Onderzoek

In opdracht van de gemeente Maasdriel heeft Antea Group in oktober 2016 een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Dit in het kader van een bestemmingsplanwijziging voor het plangebied gelegen tussen Wellseind en de N832 (gemeente Maasdriel en klein deel gemeente Zaltbommel). Het betreft het doortrekken van de Maas-Waalweg waardoor een doorlopende verbinding ontstaat tussen de A2 bij Kerkdriel (gemeente Maasdriel) en Zuilichem (gemeente Zaltbommel).

Het plangebied ligt ten zuidoosten van Wellseind en sluit aan op de N832. De westelijke aansluiting van het tracé op de huidige Maas-Waalweg ligt in de gemeente Zaltbommel. Hier wordt een nieuwe rotonde aangelegd. De geplande rotonde ligt in deze gemeente zowel in een zone met waarde 2 als waarde 3. In deze zones geldt dat bij ingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 100 m2 (waarde 2) of 2.500 m2 (waarde 3) archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het tracé zelf gaat door de gemeente Maasdriel. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Maasdriel ligt het plangebied in twee categorieën met een zeer hoge en middelhoge verwachting in verband met aanwezigheid van stroomgordels/oeverwallen in de ondergrond (waarde 5 en 6).

In deze zones geldt dat bij ingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 1.000 (hoog) of 5.000 (middelhoog) m2 archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Toets

Uit de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied met name resten vanaf de late ijzertijd kunnen worden verwacht. Landschappelijk gezien ligt het noordelijk deel van het plangebied op de scheiding ligt van twee stroomgordels met een verschillende datering. Meer naar het zuiden liggen komafzettingen direct op de pleistocene afzettingen. Om deze verwachting te toetsen, enig inzicht in de bodemopbouw te verkrijgen en eventuele verstoringen in kaart te brengen is een inventariserend booronderzoek uit te voeren (verkennende fase).

Tijdens het booronderzoek blijk in boringen 1 tot en met 7 komgronden tot de maximaal geboorde diepte aanwezig zijn (2 tot 4 meter). Ter hoogte van de toekomstige rotonde (boringen 31 t/m 35) is de bodem verstoord door de aanleg van de huidige weg. In de overige boringen zijn oever- en beddingafzettingen van de Broek stroomgordel aangetroffen op een variërende diepte van 1,3 tot 1,75 m onder maaiveld. Er zijn in de opgeboorde grond nergens aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen aangetroffen in de vorm van archeologische indicatoren of vegetatiehorizonten.

Hoewel nog geen archeologische vindplaatsen bekend zijn van de Broek stroomgordel, valt niet volledig uit te sluiten dat op oever- (en bedding)afzettingen archeologische resten kunnen worden aangetroffen.

Conclusie

Het advies luidt om het tracé tot 1,20 m –m vrij te geven en geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren wanneer de weg wordt aangelegd. Mocht uit het definitieve ontwerp naar voren komen dat ter plaatse van het deel van de weg dat nu archeologisch is onderzocht toch diepere bodemingrepen (dieper dan 1,2 meter minus huidig maaiveld) nodig zijn, dan is het advies over te gaan tot proefsleuvenonderzoek, variant begeleiding, op die locaties.

Bovenstaande is een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Maasdriel.

Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

3.4.5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Wet- en regelgeving

Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarde in onderdeel D . Dit betekent dat voor activiteiten die genoemd staan in het Besluit m.e.r. (bijvoorbeeld woningbouw, kantoren, bedrijven, recreatie, etc.) maar onder de gestelde indicatieve drempelwaarden zitten toch een beoordeling nodig is of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling heet een vormvrije m.e.r.-beoordeling (waarbij m.e.r. staat voor milieueffectrapportage).

Inhoudelijk is deze beoordeling gelijk aan een m.e.r.-beoordeling (die uitgevoerd moet worden bij activiteiten uit onderdeel D die wel boven de drempelwaarden zitten), maar de enige procedurele verplichting die er voor geldt is dat het opgenomen moet worden in de toelichting van het betreffende besluit.

Om te bepalen of een activiteit m.e.r.-plichtig, m.e.r.-beoordelingsplichtig of vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig kan het schema op de volgende pagina gebruikt worden.

Onderzoek

Voor de toets aan het Besluit milieueffectrapportage geldt een bestemmingsplan in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ook als een plan waarvoor deze toetsing voorgeschreven is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0019.png"

Figuur 3.7: Schema m.e.r. beoordeling

De voorgenomen activiteiten (zoals hierboven beschreven onder: voorgenomen activiteiten) zijn getoetst aan de m.e.r.-regelgeving zoals vastgelegd in de Wet Milieubeheer en het Besluit m.e.r. Plannen of besluiten leiden tot m.e.r.-verplichtingen als:

  • 1. de voorgenomen ontwikkelingen opgenomen zijn in het besluit m.e.r. (op de zogenaamde C- of D-lijst) zie www.overheid.nl;
  • 2. negatieve effecten op Natura2000-gebied niet op voorhand uit te sluiten zijn en een passende beoordeling moet worden doorlopen in het kader van de Natuurbeschermingswet.

ad.1: In het eerste geval moet afhankelijk van de aard, omvang en wijze van vastleggen in het plan of besluit een m.e.r.-procedure, m.e.r.-beoordelingsprocedure of vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen.

In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn in de C-lijst en D-lijst infrastructurele projecten opgenomen. In onderstaande tabel is, relevant voor de Maas-Waalweg, de categorie D 1.1 en D 1.2 opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0020.png"

Uit bovenstaande tabel volgt dat de wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken of verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken op minder tot wegen met vier of meer rijstroken (niet zijnde een autosnelweg of autoweg) met een tracélengte van 5 kilometer of meer m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

Toetsing

De Maas-Waalweg is geen autosnelweg of autoweg waardoor deze niet valt binnen de omschrijving van 'activiteiten' uit categorie D 1.1. Ook is er geen sprake van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken of een verbreding van een bestaande weg tot een weg met vier of meer rijstroken waardoor ook niet wordt voldaan aan de omschrijving van 'activiteiten' uit categorie D 1.2.

De voorgenomen activiteit, het doortrekken van de Maas-Waalweg zorgt voor de aanleg van ca. 1,5 kilometer weg bestaande uit twee rijstroken in totaal. De minimale lengte van 5 kilometer uit de kolom 'gevallen' wordt niet gehaald.

De realisatie van een weg bestaande uit twee rijstroken, zoals de Maas-Waalweg wordt aangelegd, is niet opgenomen in de categorie van gevallen zoals opgenomen in de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r.

Er kan daarom worden volstaan met een vormvrije m.e..r.-beoordeling.

ad.2: In het tweede geval moet in het kader van het plan of besluit een plan-m.e.r. procedure worden doorlopen. Van belang bij de m.e.r.-toets is dat niet alleen nieuwe ontwikkelingen worden beschouwd, maar ook "nog niet benutte planologische ruimte", dat wil zeggen ontwikkelingsruimte die al eerder bestemd is, wordt overgenomen, maar nog niet concreet is gerealiseerd.

Gelet op de toets (Natuurtoets Antea Group, 2015, zie Bijlage 2) aan de Wet natuurbescherming (beoordeling noodzaak passende beoordeling) en de Wet milieubeheer (inclusief de berekening met de Aerius Calculator, zie Bijlage 7), is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Significante negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten, waardoor een passende beoordeling en MER niet noodzakelijk zijn.

Er kan daarom worden volstaan met een vormvrije m.e..r.-beoordeling.

Conclusie

Gelet op de toetsing aan het Besluit m.e.r. en de bijbehorende C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. is het uitvoeren van een m.e.r-beoordeling niet noodzakelijk.

Een vormvrije m.e.r.-beoordeling met een verwijzing naar de uitgevoerde onderzoeken voor de realisatie van de Maas-Waalweg in hoofdstuk 3 van deze toelichting volstaat.

Significante negatieve effecten op het milieu kunnen worden uitgesloten op basis van de verrichte onderzoeken.

3.5 Niet gesprongen explosieven

Aanleiding vooronderzoek

De aanleiding tot het uitvoeren van een vooronderzoek naar mogelijk aanwezige Conventionele Explosieven (CE) voor het project Maas-Waalweg vloeit voort uit het voornemen tot het uitvoeren van werkzaamheden in het projectgebied en het vermoeden van de mogelijke aanwezigheid van CE in de bodem.

De Maas-Waalweg vormt een oost-west verbinding tussen Zuilichem (gemeente Zaltbommel) en de A2 bij Velddriel (gemeente Maasdriel). Dit project betreft de ontbrekende schakel vanaf Wellseind tot de N832. Met het doortrekken van de Maas-Waalweg komt een route beschikbaar voor doorgaand gemotoriseerd verkeer vanuit het westelijk deel van de Bommelerwaard in zuidelijke richting.

Er zullen binnen het projectgebied diverse (grond)werkzaamheden gaan plaatsvinden. Indien er zich CE in de bodem bevinden, is dat een risico in het kader van de Openbare Veiligheid. Daarbij kan stagnatie van de werkzaamheden aanzienlijke kostenverhogingen tot gevolg hebben. Het is van belang om duidelijkheid te krijgen over de aard en omvang van de situatie aangaande CE ten einde de veiligheid van personeel en (directe) omgeving tijdens de realisatiefase op een verantwoorde wijze te kunnen waarborgen.

Om inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s is door BODAC een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van CE of delen daarvan binnen het projectgebied. Het complete onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen.

Conclusie / Advies

Het projectgebied kwalificeren wij op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als gedeeltelijk verdacht op de aanwezigheid van achtergelaten Duitse infanteriemunitie. Daar waar het verdachte gebied en het werkgebied elkaar overlappen (het opsporingsgebied) adviseren wij de opdrachtgever vóór aanvang van de voorgenomen (grond)werkzaamheden het projectgebied te laten onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van CE en deze te laten verwijderen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0021.png"

Figuur 3.8. Ligging Duitse loopgraven, verdacht voor infanteriemunitie

Gezien de leemte in kennis met betrekking tot de exacte locatie van de geallieerde artilleriebeschietingen tussen november 1944 en mei 1945 is een incidentele vondst van geallieerde geschutmunitie in het projectgebied nooit geheel uit te sluiten. Wij adviseren opdrachtgever derhalve om voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een protocol op te stellen met betrekking tot de handelwijze bij het incidenteel aantreffen van CE.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0022.png"

Figuur 3.9. Overzichtskaart inventarisatie Conventionele Explosieven

Aanbevelingen

Bij uitvoering van de werkzaamheden dient in principe rekening te worden gehouden met de noodzaak van detectie- en benaderwerkzaamheden ter plaatse van een drietal verdachte locaties (als genoemd in het onderzoek zoals opgenomen in Bijlage 3).

Buiten de 3 verdachte gebieden zal voor de voorgenomen werkzaamheden een “protocol toevalstreffer” worden gebruikt.

3.6 Kabels en leidingen

Ter hoogte van de kruising Maas-Waalweg, Delwijnsestraat en de Wellseindsestraat zijn er een aantal conflicten met kabels en leidingen.

Aan de oostzijde in de berm van de huidige Delwijnsestraat ligt een vrijverval riool van de gemeente Maasdriel, laagspanningskabel van Liander en een datakabel van UPC. Deze kabels en leidingen liggen in het nieuwe ontwerp onder het asfalt, deze zullen eventueel verlegd dienen te worden.

Aan de westzijde kruisen momenteel een lagedruk gasleiding van Liander en een waterleiding van Vitens de huidige Maas-Waalweg. In het toekomstige ontwerp liggen deze leidingen onder het vrijliggende fietspad. Een eventuele oplossing hiervoor is om ter plaatse van deze leidingen het fietspad in rode tegels uit te voeren.

Aan de zuidzijde ter hoogte van de Molenachterdijk ligt momenteel een datakabel van UPC en een waterleiding van Vitens die in het nieuwe ontwerp onder het asfalt komen te liggen. Deze zullen hoogstwaarschijnlijk in de berm van de nieuw te maken Maas-Waalweg moeten worden gelegd.

Voor de realisatie van de Maas-Waalweg heeft een overleg plaatsgevonden ten aanzien van de werkzaamheden aan de kabels en leidingen. In dit overleg zijn afspraken gemaakt hoe met kabels en leidingen omgegaan zal worden.

3.7 Verkeer

De nieuwe Maas-Waalweg wordt gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de  bebouwde kom met een snelheidsregime van 60 km/uur. De weg komt binnen de  bestaande 60 km-zone te liggen van het buitengebied van de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel.

Afweging 60 km/uur - 80 km/uur

Erftoegangswegen (60 km/uur) hebben als functie het uitwisselen van verkeer op  wegvakken (erfaansluitingen) en kruispunten. Deze wegcategorie ontsluit daarmee bijvoorbeeld woningen, bedrijven en landbouwpercelen. 

Het type weg kent een maximale verkeersintensiteit van ongeveer 6.000 mvt/ etmaal. Gebiedsontsluitingswegen (80 km/uur) zijn gericht op het stromen op de wegvakken, terwijl het uitwisselen plaats vindt op kruispunten. De  gebiedsontsluitingsweg vormt de verbindende schakel tussen stroomwegen en  erftoegangswegen. 

De etmaalintensiteit op dit type weg bedraagt ongeveer 5.000 - 15.000 mvt/etmaal. Erfaansluitingen zijn op dit type weg alleen mogelijk door het aanleggen van  parallelwegen. Deze parallelwegen dienen tevens om het langzaam-  en landbouwverkeer af te wikkelen.  

De verwachte verkeersintensiteit op de verlengde Maas-Waalweg bedraagt 2.800  motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Deze verkeersintensiteit past goed bij een erftoegangsweg. Ook doorsnijdt de nieuwe weg diverse landbouwpercelen die in de toekomst ontsloten moeten blijven. Bij een gebiedsontsluitingsweg moeten daarvoor parallelwegen worden aangelegd. Bovendien is de verwachte  verkeersintensiteit voor een gebiedsontsluitingsweg aan de lage kant waardoor het verkeer geneigd is sneller te rijden dan wenselijk. 

Voordeel van een erftoegangsweg ten opzichte van een gebiedsontsluitingsweg is  dat krappere boogstralen toegepast kunnen worden, waardoor de weg  landschappelijk beter kan worden ingepast. Ook is het wegprofiel smaller,  waardoor het ruimtebeslag daarmee ook kleiner is. Bovendien sluit de verlengde  Maas-Waalweg aan op de Molenachterdijk. Deze weg is reeds gecategoriseerd als erftoegangsweg met een snelheidsregime van 60 km/uur. Beide wegen lopen in  beide varianten in elkaar over waardoor het logisch is dit snelheidsregime door te zetten. Daarentegen vormt het kruispunt Maas-Waalweg – Wellseindsestraat een  natuurlijke overgang tussen het snelheidsregime van 80 km/uur op de Maas-Waalweg en 60 km/uur op de overige wegen in het buitengebied. Deze natuurlijke  overgang wordt met name vormgegeven door de aanliggende bebouwing met ook  kruisende langzaam verkeersstromen. 

Samenvattend 

Vanwege de verkeersintensiteit, de functie van de weg, het beperktere ruimtebeslag en de natuurlijke snelheidsovergang, is voor de verlengde Maas-Waalweg gekozen voor een categorisering van erftoegangsweg met een snelheidsregime van  60 km/uur. Belangrijk daarbij is ook dat door de keuze van 60 km/uur de weg beter landschappelijk kan worden ingepast. 

Gebruik

De verwachte etmaalintensiteit in 2025 op de Maas-Waalweg bedraagt ca. 2.800 motorvoertuigen op een gemiddelde weekdag. 

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0023.png"

Figuur 3.10: verkeersgegevens prognosejaar 2025 per wegvak per weekdag (bron: Regionaal Verkeersmodel)

Daar waar nodig, worden doorsneden percelen rechtstreeks ontsloten op de nieuwe weg. Vanwege de functie van erftoegangsweg, maakt ook landbouw- en fietsverkeer gebruik van de weg. 

Gezien andere directere fietsroutes, ligt het niet voor de hand dat veel fietsverkeer gebruik zal maken van de nieuwe weg. Hoewel fietsverkeer is toegestaan zal het niet worden gestimuleerd.

Bestaande fietsroutes blijven namelijk behouden. Doordat de nieuwe weg juist  verkeer aantrekt van deze routes (Delwijnsestraat Wellseindsedijk), zal het gevoel van onveiligheid op deze wegen afnemen. In de verkeersgegevens is ook opgenomen het extra verkeer dat de Maas-Waalweg aantrekt als gevolg van de doortrekking. 

Fietsnetwerk

In regionaal verband is een fietsroutenetwerk opgesteld, zie figuur 3.11. Dit is een functioneel fietsroutenetwerk dat vooral bedoeld is voor de utilitaire (functionele) fietsverplaatsingen. Denk dan aan het fietsverkeer naar scholen, werk en winkelvoorzieningen. Natuurlijk kan ook het recreatieve fietsverkeer van deze routes gebruik maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBP20170003-OW01_0024.png"

Figuur 3.11: Fietsnetwerk gemeente Maasdriel

Voor de functionele fietsroutes gelden eisen over de directheid, het comfort en de verkeersveiligheid. Wat betreft directheid is het regionale fietsroutenetwerk zo opgezet dat er directe routes ontstaan naar de belangrijkste attractiepunten.

Deze attractiepunten zijn bijvoorbeeld de (middelbare) scholen, de winkels en de sportvoorzieningen. Op deze manier ontstaan routes met een minimale omrijafstand tussen alle kernen in de gemeente Maasdriel en naar Zaltbommel en ’s-Hertogenbosch.

Voor de wegen die onderdeel uitmaken van het regionaal fietsroutenetwerk wordt specifiek aandacht besteed aan de verkeersveiligheid en het comfort voor de fietsers. Waar een fietsroute langs belangrijke autoroutes gaan, zijn vrijliggende fietspaden aanwezig of worden deze gerealiseerd. Alle fietsroutes zijn bij voorkeur in asfalt uitgevoerd. Dit geldt voor de vrijliggende fietspaden, maar ook voor de wegen met gemengd verkeer. In verblijfsgebieden zijn alternatieve vormen, zoals fietsstraten, mogelijk.

Dijken

Veel van de dijken in de gemeente Maasdriel maken onderdeel uit van het fietsroutenetwerk. Deze dijken verdienen extra aandacht vanuit verkeersveiligheid, maar ook vanuit de recreatieve waarde (ook voor andere vervoerswijzen dan fietsers). Het is te overwegen om delen van de dijken af te sluiten voor het gemotoriseerd verkeer, wat goed is voor de aantrekkelijkheid en veiligheid voor het fietsverkeer. Harde voorwaarde hierbij is dat er goede alternatieve routes voor het autoverkeer zijn en dat de bestemmingen aan de dijk bereikt kunnen worden.

Door de realisatie van de Maas-Waalweg wordt het gemotoriseerd verkeer op het bestaande fietsnetwerk (waaronder de Delwijnsestraat en Wellseindsestraat) verminderd. Daardoor neemt de verkeersveiligheid voor fietsers op deze dijken toe.

3.8 Landschap

De Maas-Waalweg wordt gerealiseerd in een open weidelandschap. Voor het grondgebied van de gemeente Maasdriel is de bestemming Agrarisch met waarden opgenomen vanwege de ligging van het plangebied binnen de oeverwallen en stroomruggen. De ligging van de stroomruggen in het plangebied is ook beschreven in het archeologisch onderzoek (zie 3.4.4).

Er vindt een doorsnijding van het open landschap plaats. Het gaat dan om de komgronden met de historische verkaveling en historische water- en wegenpatronen. Deze doorsnijding betreft uitsluitend de 'strook' waarin het geplande tracé komt te liggen, maar doet zich over het grootste deel van het tracé voor.

Bij het wegontwerp van de Maas-Waalweg is rekening gehouden met de waarden van het gebied / landschappelijke inpassing door:

  • Door de weg niet te beplanten met bomenrijen, maar juist kruisende structuren te versterken wordt de weg beter ingepast in het bestaande landschap. Belangrijke kruisende structuur is de hoofdwetering.
  • Daarnaast is een ligging op maaiveldniveau van belang, hierdoor blijft de openheid van de polder zichtbaar en beleefbaar vanaf de omliggende dijken.
  • Behoud van zicht door het gebied.
  • De hoofdwetering wordt overgestoken middels een brug die wegvalt in het landschap. De brug wordt sober uitgevoerd zodat deze niet opvalt in het landschap.
  • In het ontwerp zijn diverse krappe bochtstralen van R=100 voorzien. De reden om deze krappere boogstralen toe te passen is om de weg landschappelijk beter in te passen.

Hoofdstuk 4 Juridische planopzet

4.1 Inleiding

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • een toelichting;
  • regels;
  • een digitale verbeelding.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden weergegeven. Naast een bestemming worden er ook aanduidingen en dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Deze bestemmingen, aanduidingen en dubbelbestemmingen zijn nader uitgewerkt in de regels. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan.

In de toelichting wordt gemotiveerd hoe de keuze van de bestemmingen tot stand is gekomen en waarom de regels zijn opgenomen.

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Niet alle begrippen worden verklaard. Slechts die begrippen waarover interpretatiekwesties kunnen ontstaan en die daardoor een eenduidige toepassing van de regels kunnen verhinderen worden toegelicht. Ook is de wijze van meten in dit hoofdstuk bepaald (artikel 2).
  • 2. Bestemmingsregels. In het tweede hoofdstuk zijn de bestemmingsregels opgenomen. Per bestemming is aangegeven welke functies tot de bestemming worden gerekend en wat de specifieke bouw- en gebruiksregels van de gronden zijn.
  • 3. Algemene regels. Het derde hoofdstuk bevat bepalingen met een algemeen karakter. Hierin is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen, alsmede de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels.
  • 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en de slotbepaling opgenomen. Hoewel het hier ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Hieronder worden de regels, voor zover dat nodig is voor een juiste interpretatie van de juridische regeling in het plan, nader toegelicht.

4.2 Regels

4.2.1 Inleidende regels

Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels.

Begrippen

Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert.

Het begrip bestaand is in een aantal regelingen opgenomen en verklaard in de begripsomschrijving. Bij de bepaling van de bestaande situatie kan worden teruggevallen op de (veld)inventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto's, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ-gegevens), zoals de gemeente deze bekend waren ten tijde van de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan. Specifiek voor de woonschepen, aanlegsteigers, recreatiewoningen en stacaravans zijn rapportages/ inventarisaties beschikbaar.

Wijze van meten

Met het oog op het kunnen bepalen van ondermeer de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreffen ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen en masten en dergelijke.

4.2.2 Bestemmingsregels

Groen

De in het gebied te realiseren bermen en de ruimte tussen de nieuwe weg en de perceelgrenzen worden bestemd als 'Groen'. Deze gronden worden aangekocht als onderdeel van de grondaankoop van de huidige eigenaren. Deze 'restpercelen' zijn niet meer goed bereikbaar en bruikbaar als agrarische grond en worden daarom ingericht als groene berm c.q. de opvang van hemelwater voor de waterberging.

Verkeer

De in het gebied te realiseren nieuwe Maas-Waalweg is bestemd tot 'Verkeer'. Ook de bermen en bermsloten van de weg zijn als 'Verkeer' bestemd. De aansluiting van de Maas-Waalweg op de bestaande wegen en aanpassingen van de kruisingen zijn ook meegenomen in de bestemming 'Verkeer'.

Water

De A-watergang heeft een eigen bestemming 'Water' gekregen. Binnen de bestemming zijn ook de oevers meegenomen. De overige watergangen vallen onder de daar geldende bestemmingen.

4.2.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen:

  • Anti-dubbeltelregel: met deze bepaling wordt beoogd misbruik van de regels door middel van (privaatrechtelijke) wijzigingen in de eigendomsverhoudingen van gronden te voorkomen;
  • Algemene bouwregels: deze bepaling bevat regels omtrent het ondergronds bouwen en omtrent het buitentoepassing laten van ondergeschikte bouwdelen bij de bouwregels;
  • Algemene gebruiksregel: dit artikel geeft aan wat er in ieder geval onder verboden gebruik van gronden en opstallen ten opzichte van het bestemmingsplan wordt verstaan;
  • Algemene afwijkingsregels: het gaat hierbij om een afwijkingsmogelijkheid van de in de regels gegeven maten en percentages met betrekking tot het bouwen, het oprichten van gebouwen van openbaar nut;
  • Algemene wijzigingsregels: het gaat hierbij om een wijzigingsmogelijkheid van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsgrenzen te wijzigen.
4.2.4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen:

  • Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven;
  • Slotregel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Uitvoerbaarheid Maas-Waalweg

Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van de ontbrekende schakel van de Maas-Waalweg mogelijk.

Het verzorgen van veilige en adequate wegen is een wettelijke taak van de overheid. Het opzetten van een goed onderliggende wegennet is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. Op 18 april 2013 hebben de gemeenteraden van Zaltbommel en Maasdriel de variantenstudie doortrekking Maas-Waalweg vastgesteld en een keuze gemaakt voor de zuidelijke variant. Hierop volgend zijn door de gemeenteraden en de provincie Gelderland de benodigde budgetten voor de uitvoering beschikbaar gesteld.

De variantenstudie (Arcadis, oktober 2012), zie Bijlage 10, biedt inzicht in de keuze voor het tracé op basis van een voorlopig ontwerp, hier zat geen rotonde in. Deze keuze voor een rotonde is gemaakt bij de latere uitwerking van het voorlopig ontwerp naar het definitief ontwerp. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft in haar vergadering van 26 mei 2016 besloten om een rotonde te realiseren op de locatie waar de huidige Maas-Waalweg verlengd wordt, namelijk op de huidige kruising met Delwijnsestraat en Wellseindsestraat. Redenen voor de keuze voor een rotonde zijn verkeersveiligheid en draagvlak. Aan deze zaken is een groter belang toegekend dan aan zaken als ruimtelijke inpassing. Een rotonde is qua verkeersveiligheid, met name voor (overstekend) fietsverkeer, de voorkeursoplossing. Het draagvlak voor een rotonde uitte zich onder andere op de informatiebijeenkomsten van 8 juni 2015 en 14 december 2015 waar het voorlopig ontwerp en het daarna uitgevoerde kruispuntonderzoek werd gepresenteerd. Een groot deel van de aanwezigen sprak de wens uit voor een rotonde in plaats van een “gewone” kruising.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) inwerking getreden met daarin opgenomen een afdeling omtrent grondexploitatie, afdeling 6.4. Het doel van deze afdeling is om de mogelijkheden voor gemeentebesturen om kosten te verhalen, eisen te stellen aan de inrichting, de kwaliteit of de realisatie van bouwlocaties te verbeteren. Dit brengt met zich mee dat de gemeente bij de vaststelling van het bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 Wro, een projectbesluit of een beheersverordening kosten moet verhalen. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 6.12 Wro.

Bouwplan

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat een exploitatieplan vastgesteld dient te worden voor gronden waarvoor men voornemens is een bouwplan op te stellen. In artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is het bouwplan gedefinieerd. De nieuwbouw of uitbreiding van een woning of een hoofdgebouw zijn onder meer bouwplannen. De realisatie van een weg is niet genoemd in artikel 67.2.1 van het Bro.

In het Bestemmingsplan Maas-Waalweg wordt de realisatie van een weg van ca. 1.500 meter lengte mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

Conclusie

Voor het Bestemmingsplan Maas-Waalweg is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen. De te verhalen kosten zijn anderszins verzekerd en/of de bouwmogelijkheden zijn niet aan te merken als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

5.3 Planschade

Bij iedere nieuwe ontwikkeling wordt bekeken of risico op planschade bestaat. Indien dit het geval kan zijn zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wro. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap voor de planschadekosten moet opdraaien die gemaakt worden in het belang van de aanvrager. Voor dit project zijn de initiatiefnemers de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel. In de reservering van de budgetten voor realisatie van de Maas-Waalweg is een reservering voor planschade opgenomen.

5.4 Grondverwerving

Voor de realisatie van de Maas-Waalweg zijn gronden benodigd van een aantal eigenaren. Uitgangspunt is om minnelijk in goed overleg met de grondeigenaren tot een overeenstemming te komen over aankoop van de benodigde gronden voor de nieuwe Maas-Waalweg. De verwervingskosten voor deze gronden zijn meegenomen binnen de kostenraming voor het gehele project.

5.5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerpbestemmingsplan en de daarbij behorende stukken hebben van 11 mei 2017 tot en met 21 juni 2017 ter inzage gelegen. Het voorontwerpbestemmingsplan is tevens op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor overleg gestuurd aan betrokken instanties, zoals het waterschap en diensten van Rijk en provincie.

De ontvangen inspraak- en vooroverlegreacties zijn samengevat en voorzien van een reactie in een Nota inspraak en overleg. Deze nota is als Bijlage 11 toegevoegd aan het ontwerp bestemmingsplan.

In de nota zijn ook de aanpassingen samengevat die zijn verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan.