direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Liesveldsesteeg
Status: ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Bij besluit van 25 februari 2015 hebben Provinciale Staten van Gelderland het provinciale inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard' vastgesteld. Het doel van het inpassingsplan is om, via herstructurering van de aangewezen gebieden, bestendige toekomstmogelijkheden te bieden aan de glastuinbouw en de paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard enerzijds en om de leefbaarheid en de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van het gebied als geheel te versterken anderzijds. Het inpassingsplan legt de basis voor de herstructurering, door in een aantal daarvoor geschikte gebieden de glastuinbouw te intensiveren en in enkele andere gebieden te extensiveren. Daarnaast is een beperkt aantal nieuwe gebieden, de zogenaamde 'reserveconcentratiegebieden', aangewezen. Die gebieden zijn bedoeld als reservecapaciteit voor de situatie dat de intensiveringsgebieden niet aan de behoefte naar geschikte tunbouwgronden kunnen voldoen.

Het plangebied van het voorliggende wijzigingsplan ligt in een extensiveringsgebied. Het bedrijf op de percelen Liesveldsesteeg 9 en 11 wordt verplaatst en de kassen worden gesloopt, waarna aan de Liesveldsesteeg maximaal 6 woningen worden gerealiseerd. De initiatiefnemer is het Projectbureau Herstructurering Tuinbouw Bommelerwaard, die de gronden heeft aangekocht. De regels van het inpassingsplan bieden de mogelijkheid om door middel van een wijzigingsplan de bestemming Agrarisch om te zetten in de bestemming Wonen. Het voorliggende plan voorziet hierin. In het inpassingsplan is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn het wijzigingsplan in procedure te brengen en vast te stellen.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De locatie van het plangebied ligt aan de noordzijde van de Liesveldsesteeg, tussen Brakel en Zuilichem, ten zuiden van de Waaldijk. Omdat de voorgenomen woningbouw op twee locaties plaats zal vinden, bestaat ook het plangebied uit twee gedeelten (zie hierna in hoofdstuk 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0001.jpg"

Ligging plangebied in groter verband.

1.3 Vigerende bestemmingsplan

Zoals hiervoor is aangegeven geldt voor het plangebied van het wijzigingsplan het provinciale inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard', zoals dat op 25 februari 2015 door Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld. Een provinciaal inpassingsplan treedt in de plaats van een gemeentelijk bestemmingsplan en is inhoudelijk vergelijkbaar. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 28.4.3 van de regels, waarin is vastgelegd dat burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigen ten behoeve van woningbouw. In hoofdstuk 3 (Beleidskaders) wordt nader op de nu geldende bestemmingen en de wijzigingsbevoegdheid ingegaan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied heeft betrekking op de ontwikkelingen op de percelen rond de Liesveldsesteeg 9 en 11. De percelen staan kadastraal bekend als Brakel, sectie N, nummers 1805 en 1807. De percelen hebben een totale omvang van 2,8 hectare, waarvan 4.450 m2 als woonpercelen in het voorliggende wijzigingsplan wordt opgenomen. De gronden zijn momenteel in het bezit van het Projectbureau Herstructurering Tuinbouw Bommelerwaard (PHTB).

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0002.jpg"

Uitsnede luchtfoto met de huidige bebouwing aan de Liesveldsesteeg, met de twee locaties in geel.

Het huidige gebruik van de gronden is agrarisch, in de vorm van glastuinbouw. Het bedrijf is verplaatst en de kassen zullen op korte termijn gesloopt worden.

De bestaande woningen aan de noordzijde van de Liesveldsesteeg zijn allemaal te typeren als 'tuinderswoningen'. Deze woningen hebben allen een zadeldek met een nokrichting parallel aan de straat. Eveneens kenmerkend voor deze woningen is eenvoudig rechthoekig hoofdvolume met een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van maximaal 7 meter. De entree bevindt zich in het midden van de voorgevel met (asymmetrisch) aan weerszijde een raampartij. Toevoegingen als erkers, dakkapellen en gevelornamenten komen zo goed als niet voor. De gevels zijn opgetrokken in metselwerk in lichte tinten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0003.png"

Tuinderswoningen Liesveldsesteeg 9 en 11, gelegen tussen beide delen van het plangebied.

Hoewel de woningen aan de zuidzijde van de Liesveldsesteeg eveneens sober zijn vormgegeven, is hier meer diversiteit aanwezig. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in de oriëntatie en omvang van de woningen. De goothoogte van deze woningen varieert van 3 tot 6 meter, de nokhoogte is circa 9 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0004.png"

Het straatbeeld aan de zuidzijde van de Liesveldsesteeg (nummer 24, 22 en 16).

Aan weerszijden van de weg hebben de woningen wisselende rooilijnen binnen een bandbreedte van circa 12 tot 20 meter vanuit het hart van de weg. Voor de bestaande woningen direct rond het plangebied is de bandbreedte van de rooilijnen 14 tot 19 meter.

Karakteristiek gebied

Het gebied tussen Brakel en Zuilichem ligt langs de Waal, op de Gamerense stroomrug. De historische delen van beide dorpen hebben hun cultuurhistorische waardevolle karakteristiek redelijk weten te behouden. Karakteristiek voor het gebied is de markante (dijk)bebouwing langs de Waaldijk en het zicht vanaf de Waaldijk op de daarachter gelegen bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0005.jpg"

De huidige situatie gezien vanaf de Waaldijk ten noorden van het plangebied.

Op de luchtfoto is te zien dat zich ook ten zuiden van de Liesveldsesteeg een kas staat. Het gebied ten zuiden van de Liesveldsesteeg is aangewezen als een intensiveringsgebied voor de glastuinbouw. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat hier in de toekomst meer kassen gebouwd zullen worden. Het karakter van de Liesveldsesteeg zal daardoor veranderen van een tweezijdig tuinbouwlint naar een grensweg tussen tuinbouw en wonen.

Vrijwel alle woningen in het gebied zijn vrijstaand of in kleine eenheden geschakeld. De meeste bebouwing heeft een eenvoudige hoofdmassa en bestaat uit één of twee bouwlagen met kap. Er is sprake van een grote variatie aan eenvoudige kapvormen waarbij het zadeldak echter de meest voorkomende is. Over het algemeen is er bij de bebouwing een baksteenarchitectuur en/of een eenvoudige agrarische vormgeving toegepast. Door de flauwe kappen en sobere detaillering en materiaalgebruik is het onderscheid tussen tuinderswoningen en burgerwoningen in dit gebied over het algemeen goed zichtbaar.

2.2 Toekomstige situatie

Zoals hiervoor is aangegeven ligt het plangebied in het extensiveringsgebied Brakel-Oost. Het Projectbureau Herstructurering Tuinbouw Bommelerwaard heeft een verplaatsing van de bedrijven naar een intensiveringsgebied mogelijk gemaakt en de gronden aangekocht. De ontwikkelingen op deze locatie vallen als het ware in twee delen uiteen. Na de sloop van de kassen zal aan de Liesveldsesteeg woningbouw gerealiseerd worden. Deze gronden zijn in het voorliggende wijzigingsplan opgenomen. Het achterliggende gebied blijft onbebouwd en houdt de huidige agrarische bestemming. Met de realisering van deze plannen wordt een essentiële bijdrage geleverd aan de herstructureringsplannen van de glastuinbouw in de Bommelerwaard.

Stedenbouwkundige/landschappelijke mogelijkheden woningen

De realisatie van de nieuwe woningen dient ter financiële compensatie van de aankoop van de gronden en de sloop van de kassen. Volgens het VAB-beleid, opgenomen in het Provinciaal Inpassingsplan, kunnen op basis van de gesloopte opstallen 3 woongebouwen van ieder 3 woningen gerealiseerd worden.

In het Provinciaal Inpassingsplan is daarom bepaald dat in het plangebied 3 woongebouwen van ieder maximaal 3 woningen gerealiseerd kunnen worden (zie hierna in hoofdstuk 3). Voor de nieuwe woongebouwen zijn in het inpassingsplan een maximale goothoogte van 6,5 meter en een maximale nokhoogte van 11 meter mogelijk gemaakt. Het maximale bouwvolume is bepaald op 1.200 m3 per woongebouw (of 750 m2 per woning in het geval van vrijstaande woningen).

Met deze randvoorwaarden is het aannemelijk dat de nieuw te bouwen woningen zullen afwijken van de bestaande tuinderswoningen. Het totaalbeeld van de woonbebouwing aan de noordzijde van de Liesveldsesteeg zal daardoor meer divers worden. Het is zeer wenselijk dat deze diversiteit aansluit bij de diversiteit van de woonbebouwing aan de zuidzijde van de weg. Daarom is het van belang dat door middel van eenvoudige hoofdvolumes, een sobere architectuur en detaillering en een vrijstaande plaatsing van bijgebouwen in voldoende mate wordt aangesloten bij het totaalbeeld van de woonbebouwing aan de Liesveldsesteeg.

Omdat de nieuwe woningen vrijwel zeker hoger zullen zijn dan de bestaande woningen, dienen deze verder van de weg geplaatst te worden. Zo wordt voorkomen dat er een onbalans ontstaat met de tuinderswoningen. De rooilijn van de nieuwe woningen komt dan ook op 22 tot 27 meter van de weg te liggen. Verder is het van belang dat de terreininrichting overwegend groen is, met zo min mogelijk hoge erfafscheidingen.

Ten aanzien van de hoofdopzet van de woongebouwen is het van belang dat deze niet worden vormgegeven als bijvoorbeeld twee-onder-een-kap woningen, omdat deze typologie niet past in de landelijke setting. Ieder woongebouw dient daarom als één geheel te ogen. Dit dient tot uitdrukking te komen in de gevelopbouw, maar ook in de terreininrichting.

Omdat wordt verwacht dat er op dit moment geen markt is voor drie woongebouwen met elk drie woningen, heeft de initiatiefnemer er voor gekozen om drie woongebouwen met ieder twee woningen te ontwikkelen. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat deze woongebouwen eventueel omgezet worden naar vrijstaande woningen, wanneer dat beter verkoopbaar zou zijn. In dat geval kunnen er maximaal 3 vrijstaande woningen gerealiseerd worden.

Stedenbouwkundige/landschappelijke mogelijkheden achterliggend gebied

Bij de realisatie van het plan ontstaat achter de woningen aan de noordzijde van de Liesveldsesteeg een nieuw open gebied waar ruimte is voor groen.

In de Landschappelijke inrichtingsrichtlijnen voor glastuinbouw wordt voor de Waaldijk als richtlijnen meegeven: "notenbomen op dijkvoet met hakhout of boomgaard als zoom langs de glastuinbouw." Ook de nieuwe woningen vragen een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Het karakter van de dijk ter hoogte van de Liesveldsesteeg vraagt om een aparte andere benadering: hier past meer openheid. De zichtlijn vanaf de Waaldijk naar Huis Brakel dient behouden te blijven. Voor het gebied langs de dijkvoet is daarom gekozen voor een inrichting als (extensief beweidbaar) grasland of moestuin, waarbij wordt afgezien van hoge en/of dichte begroeiing. Hiermee wordt een stukje 'openheid' en 'doorzicht naar de komgrond' op de oeverwal teruggebracht.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

De beleidskaders van rijk, provincie en gemeente die voor het plangebied van toepassing zijn, zijn uitgebreid beschreven in het recent vastgestelde inpassingsplan. Deze beleidskaders zijn niet gewijzigd. Voor een beschrijving hiervan wordt dan ook naar de toelichting op dit inpassingsplan verwezen. In aanvulling op paragraaf 2.2 van het inpassingsplan - dat gaat over de Omgevingsverordening Gelderland - wordt hieronder ingegaan op het woningbouwprogramma.

3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en overprogrammering dient te worden voorkomen.

Het Bro stelt overheden verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de Ladder op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om aan de eisen van de duurzame ladder te kunnen voldoen dient een aantal stappen te worden gezet die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen.

  • 1. beschreven moet worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte, in casu voor woningen;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onder 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onder 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

In de Handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4 (Midden-Delfland). Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van maximaal 6 woningen ter vervanging van glastuinbouw. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De duurzaamheidsladder is niet van toepassing.

3.2 Omgevingsverordening Gelderland

Wonen

In de Omgevingsverordening is bepaald in artikel 2.2.1.1 dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het vigerend door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.

Op dit moment is regio Rivierenland, waar Zaltbommel onderdeel van uitmaakt, druk doende met het opstellen van de regionale Woonagenda. Belangrijk onderdeel hierin is het opstellen van een kwantitatief en kwalitatief regionaal woningbouwprogramma. Op 30 mei 2016 zijn er afspraken gemaakt tussen regio en provincie over de kwantitatieve opgave wonen voor de periode 2015-2024. Op 12 juli hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland deze afspraken formeel vastgesteld.

Toetsing
Op de planlocatie worden maximaal 6 woningen mogelijk gemaakt. Nieuwe woningen zijn op grond van de omgevingsverordening alleen toegestaan wanneer deze passen binnen het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio
In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het regionaal woningbouwprogramma van regio Rivierenland.

3.2.1 Regionaal Woningbouwprogramma regio Rivierenland

De gemeenten van regio Rivierenland hebben afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren - actueel houden - van een regionaal woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst en wordt jaarlijks geactualiseerd.

Toetsing van projecten

Alle projecten worden getoetst op drie punten:

I. Planstatus

Van alle projecten is de planstatus geïnventariseerd. Vanuit de provincie wordt mede gestuurd op planologische hardheid. Het is van belang om te monitoren of kansrijke plannen opgenomen zijn/worden in harde bestemmingsplancapaciteit. Voorkomen moet worden dat plancapaciteit gebruikt wordt voor niet-kansrijke plannen of projecten die pas op zeer lange termijn ontwikkeld worden. Plannen met harde plancapaciteit worden 'groen' gemarkeerd. Plannen met zachte plancapaciteit zijn 'rood'.

Voorliggende ontwikkeling scoort op dit punt vooralsnog 'rood', omdat de ontwikkeling nog niet is opgenomen in een bestemmingsplan.

II. Urgentie

Onder deze noemer vallen in ieder geval de plannen waar sprake is van een verbetering van locatie en omgeving zoals bij herstructurering en bedrijfssanering. Daarnaast kan een bepaald woningbouwprogramma, zoals voor senioren geschikte woningen in combinatie met zorgvoorzieningen, aanleiding zijn om prioriteit te geven aan een project.

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van maximaal 6 woningen.

In het provinciale inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard', zoals dat op 25 februari 2015 door Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld, is voor de locatie een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 28.4.3 van de regels, waarin is vastgelegd dat burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigen ten behoeve van woningbouw. Voorwaarde is onder andere dat maximaal sprake mag zijn van 3 woongebouwen. Elk woongebouw mag uit maximaal 2 woningen bestaan.

Hiermee scoort de ontwikkeling hoog c.q. 'groen''

III. Woonmilieu, prijs en woningtype

In het WBO is aangegeven waar de belangrijkste tekorten en overschotten zijn. Het regionale woningbouwprogramma wordt hieraan getoetst. Dit kan aanleiding zijn om een aantal projecten opnieuw te bezien en mogelijk meer af te stemmen op de actuele vraag. Projecten worden gespiegeld aan de geschetste behoefte uit het WBO waarbij maatwerk per gemeente en kern mogelijk is. Een groot deel van de projecten bedient immers een specifieke, lokale vraag.

Hiermee scoort de ontwikkeling gemiddeld c.q. geel

Indeling projecten

Alle bekende projecten zijn getoetst en ingedeeld in drie categorieën.

  • 1. Kansrijke plannen en/of korte termijn (realisatie binnen vijf jaar)

Dit zijn plannen die goed aansluiten op de actuele marktvraag. Deels gaat het dan om projecten met woningen in de lagere huur- en koopprijscategorieën. Ook zorg gerelateerde woningen scoren hoog. Daarnaast lijkt de markt voor middeldure, en soms zelfs dure, koopwoningen weer aan te trekken. Alle projecten in categorie 1 zijn opgenomen in harde plancapaciteit. Kansrijke plannen waar nog geen vastgesteld bestemmingsplan voor is, worden opgenomen in categorie 2.

  • 2. Plannen met aandachtspunten en/of middellange termijn (realisatie over vijf tot tien jaar)

De projecten in categorie 2 zijn plannen met een (beïnvloedbaar) risico. Zo kan het een kansrijk project zijn met als enige aandachtspunt dat er nog geen vastgesteld bestemmingsplan ligt. Andere belemmeringen zijn omgevingsfactoren zoals milieubelemmeringen of een te verwachten weerstand vanuit de omgeving.

Bij de toetsing wordt onderscheid gemaakt tussen plannen in categorie 2A waarvan verwacht wordt dat de oplevering gepland is voor de middellange termijn (2020-2025) en plannen in categorie 2B met aandachtspunten of belemmeringen.

  • 3. Risicovolle plannen en/of lange termijn (realisatie tien jaar of verder)

Een deel van deze plannen betreft een of meer fasen van een groter project. Ook zijn er projecten die nog niet aansluiten op de actuele marktomstandigheden of waar concrete knelpunten gesignaleerd zijn. Tot slot zijn het projecten die ooit een keer bedacht zijn, in de tijd dat er nog onbeperkt plannen gemaakt werden, maar waarvan nu ingeschat wordt dat deze niet meer tot ontwikkeling komen.

Regionale woningbouwprogramma

De projecten uit de categorieën 1 en 2 vormen gezamenlijk het regionale woningbouwprogramma Rivierenland. De voorliggende ontwikkeling is opgenomen in het regionale woningbouwprogramma in de lijst projecten categorie 2, omdat nog een bestemmingsplanprocedure doorlopen moet worden. Op planstatus, urgentie en programma scoort de ontwikkeling goed. Na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure zal het plan worden opgenomen in categorie 1.

Conclusie provinciaal beleid

Voorliggend bestemmingsplan past binnen de systematiek die gehanteerd wordt bij het regionale woningbouwprogramma, waar Gedeputeerde Staten op 12 juli 2016 mee heeft ingestemd.

3.3 Beleidsregels, uitvoering herstructurering glastuinbouw en paddenstoelenteelt Bommelerwaard 2015

Op 25 augustus 2015 hebben Gedeputeerde Staten de "Beleidsregels uitvoering herstructurering glastuinbouw en paddenstoelenteelt Bommelerwaard 2015" vastgesteld. Deze zijn bedoeld voor de uitbreiding en nieuwvestiging van glastuinbouw- en paddenstoelenteeltbedrijven in de als zodanig aangeduide intensiverings- en reserveconcentratiegebieden. De beleidsregels zijn niet van toepassing op het voorliggende wijzigingsplan.

3.4 Geldend planologisch regime

Zoals hiervoor is aangegeven geldt voor het plangebied van het wijzigingsplan het provinciale inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard', zoals dat op 25 februari 2015 door Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld. Het voorliggende wijzigingsplan heeft betrekking op de twee rood omlijnde vlakken in onderstaande afbeelding.

Voor het grootste deel van het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch' (lichtgroen in de afbeelding). Een klein deel van de gronden heeft de bestemming 'Wonen' (geel in de afbeelding). Naast deze twee bestemmingen geldt voor het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' (de arcering met plus-tekens). Op grond van deze bestemming dient bij bodemverstorende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2500 m2 èn dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0006.png"

Uitsnede geldend inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard'.

Voor het hele plangebied van het voorliggende wijzigingsplan c.q. de twee rood omlijnde vlakken geldt dat daarnaast de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 28.4.3 van het inpassingsplan van toepassing is. In dat artikel is het volgende bepaald:

"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 4' te wijzigen ten behoeve van woningbouw, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • er mogen maximaal 3 woongebouwen danwel vrijstaande woningen worden opgericht;
  • een woongebouw mag uit maximaal 2 woningen bestaan;
  • de maximale inhoud van een woongebouw bedraagt 1.200 m³, de maximale inhoud per vrijstaande woning bedraagt 750 m³;
  • voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken dient te worden aangesloten bij het bepaalde in de regels voor Wonen;
  • de bebouwing wordt landschappelijk ingepast, in welk kader een inrichtings- en beplantingsplan dient te worden opgesteld;
  • er wordt rekening gehouden met de omliggende waarden en functies."

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke en milieutechnische haalbaarheid

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

De Monumentenwet 1988 verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. De gemeente Zaltbommel heeft haar eigen archeologisch beleid vastgesteld. Het wijzigingsplan valt in de beleidszone "Waarde - Archeologie 3". Dat houdt in dat bij grondwerkzaamheden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,3 m vooraf archeologisch onderzoek verricht dient te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0008.png"

Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Zaltbommel.

De gemeentelijke zonering komt terug in het provinciale inpassingsplan, waarin voor het plangebied de dubbelbestemming opgenomen. Hierin is geregeld dat voor bodemingrepen groter dan 2.500 m2 én dieper dan 0,3 m vooraf archeologisch onderzoek verricht dient te worden.

De geplande ontwikkelingen gaan niet samen met bodemverstoringen groter dan 2.500 m2. Er is daarom geen archeologisch onderzoek verricht. Verder is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" in het voorliggende wijzigingsplan overgenomen.

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

Cultuurhistorie

In de toelichting bij een ruimtelijk plan dient een beschrijving opgenomen te worden van de manier waarop met de cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Onder de cultuurhistorische waarden worden gerekend:

  • historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten);
  • historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit);
  • architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen).

Het plangebied ligt langs de Waal. Dit gebied wordt in het Landschapsplan Bommelerwaard (2003) gekenmerkt als zijnde een Oeverwal Landschap (zie afbeelding). Bij de landschappelijke inpassing van nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met een aantal aspecten:

  • Er moet landschappelijke structuurversterking plaatsvinden. In het plangebied kan dit door woningen aan de Liesveldsesteeg plaatsen.
  • Behoud/terugbrengen 'doorzichten' vanaf de oeverwallen naar komgebieden en uiterwaarden. Door de sloop van een aanzienlijk aantal kassen, wordt de doorkijk naar de uiterwaarden aan de Waal weer zichtbaar gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0010.png"

Uitsnede Landschapsplan Bommelerwaard (2003), met in rood de ligging van het plangebied.

Er zijn verder geen cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied.

Het aspect cultuurhistorie en vormt geen belemmering voor het wijzigingsplan.

4.2 Landschap

Het plangebied ligt niet in het waardevolle (open) landschap van de Bommelerwaard en maakt geen deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vanuit het landschapsplan Bommelerwaard ligt het perceel in de rand van het (Waal) oeverwal landschap. Bij de landschappelijke inpassing dient rekening te worden gehouden met de volgende beleidsuitgangspunten:

  • versterken karakterverschillen oeverwallen Waas, Maas en Afgedamde Maas en centrale stroomrug van Bruchem-Kerkwijk-Delwijnen;
  • landschappelijke structuurversterking, met name in dichtbebouwde delen, door inpassing, zonering en versterken structuurlijnen en routes;
  • behoud/terugbrengen 'doorzichten' vanaf de oeverwallen naar komgebieden en uiterwaarden;
  • stimuleren duurzaam behoud open gebieden op de oeverwallen;
  • zorgvuldige landschappelijke inpassing woningen, glastuinbouw, champignonkwekerijen en bedrijven;
  • veiligstellen waardevolle dorpskernen en randen door beschermde status.

Zoals in hoofdstuk 2.2 is beschreven, zijn deze aspecten meegenomen bij de ontwikkeling van het plangebied.

4.3 Bodem

Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.


Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer:

- nog geen gegevens betreffende de bodemgesteldheid bekend zijn;

- er nagenoeg voortdurend mensen in verblijven;

- als het bouwwerk de grond raakt en;

- als er na sloop wordt herbouwd.

Voor het plangebied is in 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit gaf aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek in 2016 (zie Bijlage 1).

 

Uit dit bodemonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • er is maximaal sprake is van een lichte verontreiniging met lood;
  • Ter plaatse van de sorteerruimte met ketelhuis, bestrijdingsmiddelenkast en meststoffenopslag zijn geen sterke verontreinigingen met minerale olie en/of vluchtige aromaten, metalen en
    bestrijdingsmiddelen (OCB) aangetoond.
  • De tijdens voorgaand onderzoek in de bovengrond vastgestelde sterke grondverontreiniging met zink is in de huidige boring niet meer aangetoond.
  • In de teeltlaag en in de ondergrond ter plaatse van de voormalige sloten zijn geen verontreinigingen met OCB aangetoond.
  • In de ondergrond is geen sprake van verontreinigingen met de onderzochte parameters. In het grondwater zijn maximaal lichte verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond.
  • Er zijn geen aanwijzingen dat de voormalige sloten daadwerkelijk zijn gedempt met bodemvreemd materiaal. Zintuiglijk zijn geen dempingen met bodemvreemd materiaal of slootbodems waargenomen.

Uit het verkennend asbestonderzoek is gebleken dat zowel zintuiglijk (fractie>16 mm) als analytisch (fractie<16 mm) is op de locatie geen verontreiniging met asbest aangetoond. Aangezien in de verschillende onderzochte monsters geen asbestconcentraties boven de 50 mg/kg d.s. zijn aangetoond behoeft conform de NEN 5707 geen nader onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd. Er is in voldoende mate vastgesteld dat geen sprake is van een ernstige verontreiniging met asbest.

Middels de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de locatie aan de Liesveldsesteeg 9-11 te Brakel in voldoende mate vastgesteld. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de voorgenomen transactie.

4.4 Natuurwaarden

4.4.1 Algemeen

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of een vooronderzoek in het kader van de Flora- en faunawet (Ffw), een Voortoets in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) of een analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is.

Naast het raadplegen van bronnen is het projectgebied ten behoeve van de inventarisatie op 22 september 2015 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs bv.

Terreinomstandigheden

Het projectgebied is gelegen aan de Liesveldsesteeg in het kassengebied ten oosten van Brakel en iets ten zuiden van rivier de Waal. Ten tijde van het veldonderzoek bestond het projectgebied voor een groot deel uit kassen (sinds eind juli 2015 buiten gebruik), enkele percelen bedekt met worteldoek en verharding. De plannen bestaan uit het verwijderen van de kassen, het verwijderen van het worteldoek en verder bouwrijp maken van de locatie. In het projectgebied worden (maximaal zes) woningen gerealiseerd, deze zijn gesitueerd in de lijn van de bestaande woningen. Ter plaatse van de huidige kassen komt een groene inrichting. Langs de Liesveldsesteeg is een watergang aanwezig. Deze is niet betrokken bij de beoogde ontwikkelingen. Er is geen opgaande beplanting aanwezig in het projectgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0011.png"

Impressie projectgebied (22 september 2015)

4.4.2 Soortenbescherming

Flora- en faunawet
Achter de Ffw staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Beschermde soorten worden opgesomd in de 'lijsten beschermde inheemse planten- en diersoorten'. De Algemene Maatregel van Bestuur ex artikel 75 van de Ffw van 23 februari 2005, kent een driedeling voor het beschermingsniveau van planten- en diersoorten, hierna te noemen: licht, middelzwaar beschermd en streng beschermd. De inheemse vogelsoorten hebben een afwijkend beschermingsregime; ze vallen zowel onder het middelzware als strenge beschermingsregime.

Inventarisatie

Ten aanzien van de aanwezigheid van beschermde soorten is, naast het afgelegde veldbezoek, via Quickscanhulp.nl (© NDFF - quickscanhulp.nl 21-09-2015 16:48:49) soortinformatie uit de Nationale Database Flora en Fauna opgevraagd. Uit de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van diverse zwaarder beschermde planten- en diersoorten bekend. Indien van toepassing wordt hier in onderstaande tekst op ingegaan. Op basis van het veldbezoek blijkt echter dat het projectgebied een beperkte natuurwaarde heeft.

In het projectgebied is een beperkt aantal plantensoorten waaronder gewone paardenbloem, varkensgras en engels raaigras aangetroffen. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden gezien de terreingesteldheid ook niet verwacht.

Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten, omdat de kassen (gezien de constructie en gebruikte materialen) ongeschikt zijn als verblijfplaats en in het plangebied geen bomen aanwezig zijn. Gezien het ontbreken van (opgaande) groenstructuren en permanent oppervlaktewater (weinig insecten), zal het projectgebied in de huidige situatie (nagenoeg) ongeschikt zijn als foerageergebied en onderdeel van een vliegroute voor vleermuizen.

In het projectgebied zijn geen jaarrond beschermde nestplaatsen van bijvoorbeeld huismus en uilen aangetroffen en/of te verwachten. Ook is het projectgebied niet geschikt als leefgebied voor dergelijke soorten. Hoewel het projectgebied in de huidige situatie nagenoeg ongeschikt is als broedbiotoop voor broedvogels, kan de aanwezigheid van een opportunistische (algemeen voorkomende) broedende vogel (zoals turkse tortel) niet worden uitgesloten.

Op basis van geraadpleegde bronnen blijkt dat binnen een straal van 1 km van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de streng beschermde amfibieën kamsalamander en poelkikker (NDFF en telmee.nl). Daarnaast zijn binnen een straal van 1-5 km waarnemingen bekend van de streng beschermde rugstreeppad.

De waarnemingen van kamsalamander en poelkikker zijn vermoedelijk afkomstig uit het polder- en uiterwaardengebied ten westzuidwesten van Brakel en van de overzijde van de nabij gelegen rivier de Waal. Op deze plekken zijn in 2010-2011 meerdere waarnemingen van beide soorten gedaan (Kessels et al. 2010 en Spikmans 2011 ). Gezien de grote mate van verharding en bedekking met worteldoeken, het ontbreken van opgaande beplanting en oppervlaktewater is het plangebied in de huidige situatie alleen beperkt geschikt als overwinteringsbiotoop (onder opgeslagen goederen en materialen) voor amfibieën. De kans dat de kritische soorten poelkikker en/of kamsalamander overwinterend voorkomen in het plangebied wordt gezien de bekende verspreidingsgegevens klein geacht. In het kader van de zorgplicht wordt wel aangeraden te voorkomen dat geschikte overwinteringslocaties (zoals opgeslagen goederen) ontstaan.

Hoewel het plangebied in de huidige situatie ongeschikt is als leefgebied voor rugstreeppad, dient wel rekening te worden gehouden met de mogelijke vestiging van de soort (rugstreeppad is een pionierssoort en kan - op zoek naar nieuwe leefgebieden - afstanden van meer dan 2,5 kilometer afleggen). Op plaatsen waar graafwerkzaamheden worden verricht kunnen (tijdelijk) geschikte voortplantingslocaties (ondiepe plassen) ontstaan. Daarnaast kunnen opgeslagen goederen als overwinteringslocatie fungeren. Geadviseerd wordt te voorkomen dat genoemde omstandigheden ontstaan. Wanneer rugstreeppadden worden aangetroffen op een bouwlocatie kunnen de werkzaamheden voor langere periode worden stilgelegd.

Verder zijn in het projectgebied (en de directe omgeving) hooguit enkele licht beschermde diersoorten zoals veldmuis, huisspitsmuis, gewone pad en bruine kikker te verwachten. Verblijfplaatsen en (onmisbaar) leefgebied van beschermde soorten uit de overige soortgroepen (reptielen, vissen en ongewervelden) zijn wegens het ontbreken van geschikt biotoop niet te verwachten in het projectgebied.

Gezien de aard van het projectgebied, de kennis over leefgebieden van soorten en de beschikbare gegevens, kan van alle soortengroepen met voldoende zekerheid een oordeel worden gegeven over het voorkomen van beschermde soorten in het gebied.

Toetsing

Hoewel de kans op een broedende vogel in de huidige situatie klein is, is het wel van belang om rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van een broedgeval. Het is verboden nesten van vogels (indien nog in functie) te verstoren of te vernietigen (artikel 11 en 12 van de Ffw). Om verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen te voorkomen dient daarom rekening te worden gehouden met het broedseizoen of dient voorafgaand aan de werkzaamheden te worden vastgesteld dat geen broedgevallen aanwezig zijn. De Ffw kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het is van belang of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen verblijfplaatsen van enkele licht beschermde soorten amfibieën en of zoogdieren worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De aanwezige licht beschermde soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Flora- en faunawet.

4.4.3 Gebiedsbescherming

Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Natuurbeschermingswet 1998 en de provinciale structuurvisie en verordening.

Natuurbeschermingswet 1998

In de Nbw 1998 is de bescherming van specifieke (natuur)gebieden geregeld. In de Nbw 1998 zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Onder de Nbw 1998 worden drie typen gebieden aangewezen en beschermd: Natura 2000-gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Nbw 1998 een externe werking kent.

Provinciale Natuur

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van het NNN.

De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.

Inventarisatie

Het projectgebied ligt niet in en grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Nbw 1998. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied in het kader van de Nbw 1998 betreft Natura 2000-gebied Loevestein, Pompvel & Kornsche Boezem gelegen op een afstand van circa 2 kilometer ten westen van het projectgebied. Het projectgebied ligt eveneens niet in en grenst niet aan gronden die in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid zijn aangewezen als GNN of GO. Dergelijke gebieden zijn gelegen op een afstand van circa 70 meter. Aan de andere zijde van de Waaldijk (in de uiterwaarden van de Waal). Tussen het projectgebied en de beschermde gebieden ligt bebouwing en/of infrastructuur.

Toetsing

Beschermde gebieden liggen op enige afstand van het projectgebied. Het projectgebied heeft daarnaast geen belangrijke ecologische relaties met beschermde gebieden. Gezien de ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde gebieden en de aard van het plan, worden negatieve effecten van het plan op natuurgebieden op voorhand niet verwacht. Het plan heeft in het kader van de Nbw 1998 geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Het plan is daarnaast niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

4.4.4 Conclusie

Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat een vooronderzoek in het kader van de Ffw, een Voortoets in het kader van de Nbw 1998 of een analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk is.

Met inachtneming van het broedseizoen van vogels is een ontheffing van de Ffw of een vergunning op grond van de Nbw 1998 voor de beoogde activiteiten op voorhand niet nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.

Op voorhand kan in redelijkheid worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat, mits rekening gehouden wordt met de eventuele vestiging van de streng beschermde amfibieën.

4.5 Water

Op basis van een eerste scan via de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) blijkt dat voor het wijzigingsplan de normale watertoetsprocedure dient te worden gevolgd. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland.

Er bevindt zich langs de Liesveldsesteeg een zogenaamde A-watergang met beschermingszones. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Op de verbeelding van het provinciale inpassingsplan zijn A-watergangen opgenomen met de bestemming Water. De beschermingszone van de watergangen is niet afzonderlijk in het inpassingsplan opgenomen.

Indien nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2, schrijft het Waterschap voor dat is er watercompensatie plaats vindt. Aangezien de verharding door het verdwijnen van de kassen kleiner wordt, zal hier geen sprake van zijn.

Er zijn geen overstorten uit het gemengde rioolstelsel in of nabij het plangebied die een risico kunnen opleveren voor het plangebied. Voorts ligt in het plangebied geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Tot slot bevinden beide locaties zich niet in de (buiten)beschermingszone of in de bouwgrens van de primaire waterkering. Het aspect 'water' levert geen belemmeringen op voor het voorliggend wijzigingsplan.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Ook zijn in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ambities opgenomen over het al dan niet toelaten van risicovolle activiteiten en "bijzonder kwetsbare objecten".

4.6.2 Risicovolle bedrijven

Binnen de beoogde bestemming “wonen” passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten.

Uit de provinciale risicokaart, informatie over relevante risicobronnen en actuele luchtfoto’s blijkt dat bestemmingen voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied niet liggen binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen.

4.6.3 Vervoer gevaarlijke stoffen

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de Waal. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij vanwege een zwaar ongeval vrijkomende toxische vloeistoffen of gassen in het plangebied terecht (kunnen) komen. Het plangebied ligt echter buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.

Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 15 juni 2015 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval op de Betuweroute of op de Waal

Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

4.6.4 Buisleidingen

Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Bevb van belang. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een relevante buisleiding.

4.6.5 Niet-gesprongen explosieven

Wat betreft de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven zijn beide locaties 'niet verdacht' voor mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven op basis van de concept Explosievenkansenkaart Bommelerwaard d.d. 10 juni 2016 . Zie hiervoor onder de uitsnede CE-Bodembelastingskaart Bommelerwaard. Er is dus geen nader vervolgonderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.BGBBPW20160009-OW01_0012.jpg"

4.6.6 Conclusie

Het bovenstaande betekent dat er in het kader van het aspect externe veiligheid geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op de transportroutes de Waal en de Betuweroute.

4.7 Geluid

Bij het voorliggende wijzigingsplan hoeft bij het aspect geluid alleen rekening gehouden te worden met wegverkeerslawaai. De nieuw te bouwen woningen liggen binnen de wettelijke geluidszone van de Liesveldsesteeg en de Waaldijk. De overige wegen liggen op meer dan 200 meter van de bouwplannen.

Om de geluidsbelasting op de gevels van de geplande woningen te bepalen is een akoestisch rapport opgesteld, dat als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd. De gehanteerde verkeersgegevens voor de Liesveldsesteeg en Waaldijk zijn afkomstig uit het regionale verkeersmodel, dat door adviesbureau Goudappel Coffeng in 2014 is opgesteld. In dit model staan prognoses voor het jaar 2025. De berekende geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen bedragen niet meer dan 44 dB voor Lden (inclusief 5 dB aftrek uit artikel 110g Wgh).

Bij de bouwplannen aan de Liesveldsesteeg wordt voldaan aan de voorkeurgrenswaarde voor wegverkeerslawaai uit de Wet geluidhinder. De voorkeurgrenswaarde van 48 dB voor Lden uit de Wgh wordt niet overschreden. Het aspect verkeerslawaai geeft dus geen belemmering voor realisatie van het bouwplan.

4.8 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de wijde omgeving zijn alleen glastuinbouwbedrijven gelegen. De dichtstbijzijnde rundveehouderij ligt op een afstand van ruim 800 meter; hiermee wordt aan de vaste afstand die voor rundvee geldt, voldaan.

De overige agrarische bedrijven liggen op een afstand van meer dan 1 kilometer. Tussen deze bedrijven en de nieuw te realiseren woningen aan de Liesveldsesteeg zijn kassen en andere woningen gelegen. De nieuwe woningen leveren dan ook geen belemmeringen op voor de agrarische bedrijven in de omgeving.

4.9 Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Liesveldsesteeg. De omzetting van agrarisch bedrijf naar woningbouw leidt niet tot een significante toename van de verkeersdruk op deze weg. De verwachting is zelfs dat het aantal vervoersbewegingen per etmaal zal afnemen in verband met het wegvallen van vracht- en bedrijfsverkeer op deze locaties.

De Liesveldsesteeg is een vrij smalle weg die de Van Damweg aan de westkant en de Zijving aan de oostkant verbindt. Er bevinden zich geen fietspaden langs de weg en er is geen markering aanwezig.

Met betrekking tot parkeren wordt uitgegaan van parkeren op eigen terrein. Beide percelen bieden hiervoor voldoende ruimte.

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de huidige infrastructuur. Aanvullend onderzoek en/of maatregelen zijn daarom niet nodig.

4.10 Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit verwerkt in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet bepaalde normen zijn overal van toepassing, met uitzondering van de arbeidsplekken (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In verband met de luchtkwaliteit is voor het voorliggende bestemmingsplan met name het besluit "Niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM) van belang. Projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de wet niet afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dat geldt onder andere voor woningbouwprojecten tot maximaal 1.500 woningen. In verband met het voorliggende wijzigingsplan is daarom geen nader onderzoek in het kader van de luchtkwaliteit nodig

4.11 Milieuzonering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende functies (zoals bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). In de praktijk worden hiervoor de richtafstanden uit de VNG publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" toegepast. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of de nieuwe ontwikkelingen mogelijk zelf veroorzaker zijn van hinder voor de omgeving; anderzijds wordt bekeken of het de nieuwe ontwikkelingen mogelijk hinder ondervinden vanuit de omgeving.

Het plan betreft het realiseren van woningen. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

In de omgeving van het plangebied is het bedrijf aan Liesveldsesteeg 22 gelegen. Dit betreft een bedrijf dat valt onder sbi-code 011, 012, 013 (akkerbouwbedrijf en glastuinbouwbedrijf), waardoor milieucategorie 2 van toepassing is. Hiervoor dient een afstand van 10 meter voor geur, stof en gevaar en 30 meter voor geluid te worden aangehouden. Daarbij dient gemeten te worden vanuit de grens van het bouwvlak van dit bedrijf.

De nieuwe woningen komen minimaal 22 meter uit de weg te liggen, waardoor de afstand tot het bouwvlak van Liesveldsesteeg 22 minimaal 45 meter bedraagt. Daarmee wordt aan genoemde richtafstanden voldaan.

Het aspect milieuzonering levert geen knelpunten op voor de beoogde plannen aan de Liesveldsesteeg.

4.12 m.e.r. (beoordelings)plicht

Sinds 1 april 2011 is in het besluit m.e.r. geregeld dat ook bij ontwikkelingen, die onder de drempelwaarde vallen, het bevoegd gezag zich er van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Daarbij zijn in het bijzonder de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn van belang. Deze omstandigheden betreffen o.a. de kenmerken van de potentiële effecten en cumulatie. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn eventuele keuze voor géén mer-beoordeling voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de overwegingen van het moederbesluit.


De ontwikkeling van de woningen zou beschouwd kunnen worden als 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' categorie D 11.2. De ontwikkeling blijft echter ruimschoots onder de drempelwaarde van 2000 woningen. Uit de voorgaande paragrafen blijkt, dat geen sprake zal zijn van milieugevolgen door de ontwikkeling van het plan.


Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

Het inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard' is een provinciaal plan. Dat wil zeggen dat het door Provinciale Staten van Gelderland is vastgesteld. Provinciale Staten hebben daarbij vastgelegd dat een deel van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden door Gedeputeerde Staten kunnen worden toegepast en dat bij een ander deel de bevoegdheid bij Burgemeester en Wethouders rust. Artikel 28.4.3, die ten grondslag ligt aan het voorliggende wijzigingsplan, is een wijzigingsbevoegdheid van Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat de gemeente het wijzigingsplan in procedure brengt en vast stelt.

Het wijzigingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het plangebied. In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat een wijzigingsplan deel uitmaakt van het bestemmingsplan c.q. inpassingsplan. Dat betekent onder andere dat voor het plangebied de regels van het provinciale inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard' van toepassing zijn. Dat betekent ook dat de regels van het wijzigingsplan beperkt kunnen blijven.

De regels van het wijzigingsplan zijn als volgt opgebouwd:

  • in artikel 1 zijn de noodzakelijke begrippen opgenomen;
  • in artikel 2 zijn de regels van het provinciale inpassingsplan van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 11 ('Wonen') uit het inpassingsplan. Hiervoor in de plaats komen de regels uit het wijzigingsplan;
  • in artikel 3 zijn de regels voor de bestemming 'Wonen' opgenomen;
  • tot slot is in artikel 4 de slotbepaling opgenomen.

Op de verbeelding van het wijzigingsplan zijn twee bestemmingen opgenomen:

  • de bestemming 'Wonen';
  • de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zoals die ook in het inpassingsplan is opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De realisatie van de woningen dient ter financiële compensatie van de aankoop van deze en een aantal andere kleine kassen die zijn gesloopt. De kosten die gepaard gaan met de realisering van de plannen en bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van het Projectbureau Herstructurering Tuinbouw Bommelerwaard.

De gemeente heeft een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten in verband met het verhaal van eventuele planschade.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerp van het wijzigingsplan zal in ontwerp ter inzage worden gelegd, waarbij iedereen een zienswijze kenbaar kan maken. Na de periode van de tervisielegging zullen burgemeester en wethouders de zienswijzen beoordelen en het wijzigingsplan -eventueel gewijzigd- vaststellen.