direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijf
Plan: Gameren, Middelkampseweg 13
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.GMRBP20100015-VS01

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- categorie 1 t/m 3.1' , (sb-1 t/m 3.1) zijn enkel bedrijven in de categorie 1 t/m 3.1 van de staat van bedrijfsactiviteiten, toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- categorie 1 t/m 3.2' , (sb-1 t/m 3.2) zijn enkel bedrijven in de categorie 1 t/m 3.2 van de staat van bedrijfsactiviteiten, toegestaan;
  • c. beheer en bescherming van de watergang als primaire bestemming, uitsluitend op de gronden gelegen binnen een afstand van 4 m uit de bestemmingsgrens van de bestemming 'water';
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', (bw) maximaal één bedrijfswoning;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - glasverwerkingsbedrijf', (-sb-gvb) is de vestiging van een glasverwerkings- en glasrecyclingsbedrijf uitgesloten indien ter plaatse eveneens een metaalverwerkings- en metaalrecyclingsbedrijf is gevestigd;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - metaalverwerkingsbedrijf', (-sb-mvb) is de vestiging van een metaalverwerkings- en metaalrecyclingsbedrijf uitgesloten indien ter plaatse eveneens een glasverwerkings- en glasrecyclingsbedrijf is gevestigd;

met de daarbij behorende

  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • h. erven en terreinen;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • l. materieel opslag.
3.1.1 Nadere Eisen

De inrichting van de in lid 3.1 bedoelde gronden dient aan de volgende voorschriften te voldoen:

  • a. de oppervlakte van de gronden ten behoeve van een bedrijfswoning met bijbehorende voorzieningen (tuin, erf en bijgebouwen) mag per bedrijfswoning maximaal 500 m² bedragen.
3.2 Bouwregels

Op de gronden zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan ten behoeve van de in artikel 3.1 omschreven bestemming, waarbij tevens wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
    • 1. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte respectievelijk bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte;
  • b. Ten aanzien van een bedrijfswoning met bijbehorende vrijstaande bijgebouwen geldt dat voor een bedrijfswoning, met bijbehorende uitbouwen en aanbouwen:
    • 1. de situering uitsluitend ter plaatse van de bestaande funderingen mag zijn en, in geval van uitbreiding, daar direct op aansluitend;
    • 2. de inhoud mag niet minder dan 200 m³ en niet meer 500 m³ mag bedragen;
    • 3. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 6,5 meter;
    • 4. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 9 meter
    • 5. de dakhelling niet minder mag bedragen dan 30º, uitgezonderd uitbouwen, aanbouwen en aan gebouwde bijgebouwen;
3.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. per bedrijfswoning wordt één bijgebouw toegestaan waarbij de volgende voorwaarden in acht dienen te worden genomen:
    • 1. de maximale goothoogte van bedraagt 3 meter;
    • 2. de maximale oppervlakte van bedraagt 30 m².
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en in het erf worden gebouwd met dien verstande dat wanneer deze bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd, de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3 m moet bedragen;
  • c. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan;
  • d. de afstand tot de perceelsgrenzen niet minder mag bedragen dan 3 meter.
3.2.3 Terreinafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal bedragen:
    • 1. voor bedrijfsinstallaties en lichtmasten maximaal 10 meter;
    • 2. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, maximaal 3 meter;
    • 3. voor terreinafscheidingen maximaal 3 meter.
    • 4. de afstand tot de bestemmingsgrens van de bestemming "water" mag niet minder bedragen dan 4 meter.
3.3 Gebruiksregels

Het is verboden de in het plan begrepen gronden en daarop voorkomende bebouwing te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. gebruik van grond en bebouwing voor bedrijven, zoals vermeld in onderdeel D van Bijlage I bij het Bor, zoals dit besluit luidde op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan;
  • b. gebruik van gronden en bebouwing voor (detail)handel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen;
  • c. gebruik van gronden voor zelfstandige kantoren;
  • d. gebruik van gronden en bebouwing voor seksinrichtingen;
  • e. een gebruik van de onbebouwde grond als stort- en opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als tijdelijke opslagplaats en/of materieelopslag ten behoeve van het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • f. wonen, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
3.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 3.1 onder a, b en, voor het toelaten van een bedrijf dat niet is vermeld in de staat van bedrijfsactiviteiten, mits dat bedrijf:
    • 1. naar de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijkgesteld kan worden aan een bedrijf behorende tot de in lid 3.1 onder a, b en toegelaten milieucategorieën;
    • 2. voldoet aan de van toepassing zijn de milieuwetgeving;
  • b. het bepaalde in lid 3.3 indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 3.1 onder c bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het egaliseren, afgraven en ophogen van gronden;
    • 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
    • 3. het aanleggen en verharden van paden en andere oppervlakteverhardingen;
    • 4. het aanleggen van boven- en ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
  • b. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan een adequaat beheer en onderhoud en/of de veiligheid van de watergang en hieraan door het stellen van voorwaar-den niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
  • c. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6 wordt niet verleend dan nadat burgemeester en wethouders vooraf advies hebben ingewonnen van de beheerder van de watergang.
  • d. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6 is niet vereist voor:
    • 1. werken en werkzaamheden, die behoren tot het normale onderhoud en beheer;
    • 2. werken en werkzaamheden, die op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.