direct naar inhoud van 4.6 Externe veiligheid
Plan: Gameren, Middelkampseweg 13
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.GMRBP20100015-VS01

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Ten aanzien van het voorliggend bestemmingsplan is door AGEL adviseurs een onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid. De resultaten uit dit onderzoek zijn opgenomen in de notitie ' Toets externe veiligheid', d.d. 24 maart 2011. De notitie is als Bijlage aan het voorliggend bestemmingsplan toegevoegd.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de reeds aanwezige risicobronnen en de relevante bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. Daarnaast is sprake van een aanvaardbaar basis veiligheidsniveau ter hoogte van het plangebied.

Ten aanzien van de vestiging van nieuwe risicobronnen dient opgemerkt te worden dat het vigerend bestemmingsplan “Bedrijventerrein Middelkampseweg” de vestiging van Bevi-inrichtingen niet expliciet uitsluit. Het betreft hier bijvoorbeeld een eventuele opslag van gevaarlijke stoffen of de aanleg van een ammoniakkoelinstallatie.

Op basis van de voorschriften van het vigerend bestemmingsplan is deze ontwikkeling in beginsel alleen mogelijk indien de PR contour van de risicobron gelegen is binnen de begrenzing van de eigen inrichting. Hierbij wordt dan voldaan aan de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico geldend voor een beperkt kwetsbaar object. Indien het invloedsgebied buiten de begrenzing van de inrichting reikt zal ook een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat hier voorgestane ruimtelijke ontwikkeling slechts een beperkte invloed heeft op het groepsrisico. Voor bedrijfslocatie aan de Middelkampseweg geldt dat er sprake is van een verruiming van het bebouwingspercentage van 60% naar 85%. Als gevolg hiervan is eveneens sprake van een toename van de personendichtheid met 34 personen (0,25 x 13.400/100).

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect externe veiligheid geen beperkingen gelden ten aanzien van het voorliggend bestemmingsplan.

Overstromingsgebied

De planlocatie ligt binnen het overstromingsgebied van de Maas en Waal. Een groot deel van de Betuwe is aangewezen als overstromingsgebied. Hiervoor is door Waterschap Rivierenland een calamiteiten Zorg Systeem opgesteld. Dit zorg systeem is meer dan een rampenbestrijdingsplan. Als een calamiteit dreigt te ontstaan, treedt de calamiteitenorganisatie van het waterschap in werking. Binnen de calamiteitenorganisatie is de inzet van mensen, materiaal en materieel om de calamiteit te bestrijden geregeld. Er zijn daarover afspraken met andere betrokken instanties (politie, brandweer, gemeenten, rijkswaterstaat, provincies etc.) opgenomen.

Munitieresten

Het voorliggend plangebied aan de Middelkampseweg 13 is door de gemeente Zaltbommel aangewezen als verdachte locatie ten aanzien van niet geëxplodeerde munitie. Reden hiervoor is de aanwezigheid van een in de nabijheid gelegen bomkrater. Echter, voor de directe omgeving is tot op heden geen historisch vooronderzoek verricht. Om deze reden is er dan ook geen directe aanleiding om aan te nemen dat zich binnen het voorliggend plangebied munitieresten bevinden. Het uitsluiten van de aanwezigheid van munitieresten is alleen mogelijk op basis van onderzoek.

Het voorliggend plangebied is echter te klein om op basis van een historisch onderzoek een uitspraak te kunnen doen over de trefkans binnen het plangebied. Om deze reden moet op basis van het historisch onderzoek al snel geconcludeerd worden dat een nader inventariserend veldonderzoek uitgevoerd dient te worden om de aan- of aanwezigheid van munitieresten aan te tonen. Hierbij dient bij de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek het gehele terrein opgeschoond te zijn (vrijgemaakt van hekwerken, verhardingen en puin).

Het betreffende terrein is in de huidige situatie echter volledig verhard en reeds in gebruikt ten behoeve van het hier gevestigde bedrijf. Het opschonen van het terrein behoord in dit stadium derhalve niet tot de mogelijkheden.

Voorafgaand aan de ingebruikname van het terrein door het ter plaatse gevestigde bedrijf, is deze reeds bouwrijp gemaakt. Daarna is het terrein opgehoogd met ca. 0,70 m puin, deels bebouwd en volledig verhard. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de bovenste grondlaag (tot ten minste 1 meter – maaiveld) geen explosieven bevat.

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat, gezien het beperkte bewijs voor de aanwezigheid van niet geëxplodeerde munitie alsmede de huidige inrichting van het terrein, vanuit praktisch en financieel oogpunt het uitvoeren van een veldinventarisatie in het kader het voorliggend bestemmingsplan redelijkerwijs niet noodzakelijk kan worden gesteld.

Vanwege bovengenoemde dient in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (voorheen bouwvergunning) de noodzaak tot het uitvoeren van een inventariserend onderzoek nader te worden vastgesteld. Indien in dit staduim, op basis van voortschrijdend inzicht, onderzoek naar de aanwezigheid van munitieresten noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd uitsluitend een inventariserend veldonderzoek uit te voeren. Hiermee wordt enerzijds een kostenbesparing gerealiseerd door het achterwegen laten van een historisch onderzoek en wordt anderzijds volledige zekerheid verkregen over de aan- of afwezigheid van munitieresten.