direct naar inhoud van 4.7 Luchtkwaliteit
Plan: Gameren, Middelkampseweg 13
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.GMRBP20100015-VS01

4.7 Luchtkwaliteit

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt plaats op grond van de Wet milieubeheer. De basis is te vinden in hoofdstuk 5, titel 2, van de Wet milieubeheer en in bijlage 2 bij de wet waarin de verschillende grens- en richtwaarden zijn opgenomen. Het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) is eind 2007 vervallen.

De grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn afkomstig uit de Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit en gelden voor de buitenlucht. Het gaat om de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en vanaf 2015 PM2,5), lood, koolmonoxide, benzeen, ozon, arseen, cadmium, kwik, nikkel en PAK's. Hiervan zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10)  de maatgevende stoffen. De andere stoffen hebben slechts een beperkte invloed op de luchtkwaliteit en kunnen daarom in het algemeen buiten beschouwing worden gelaten.

De EU heeft Nederland in april 2009 grotendeels derogatie (verlenging van de termijn waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn) verleend, waardoor grenswaarden voor PM10 en NO2 in respectievelijk 2011 en 2015 zullen moeten worden behaald. De relevante zichtjaren zijn derhalve 2010 (huidige situatie), 2011 (grenswaarde voor PM10 van kracht) en 2015 (grenswaarde voor NO2 van kracht).

De betekenis van de tijdelijk verhoogde grenswaarden bij besluitvorming is beperkt omdat ze steeds in samenhang dient te worden gezien met de verplichting om in 2011 respectievelijk 2015 de grenswaarden te bereiken. Wel dient de ontwikkeling te waarborgen dat in de derogatieperiode de tijdelijke grenswaarden niet worden overschreden. 

Bij de Wet milieubeheer hoort een aantal uitvoeringsregels. Deze uitvoeringsregels zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr).

In het kader van de onderhavige planontwikkeling zijn daarvan het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), Stb. 2007, 440 (Besluit NIBM) en de Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), Stcrt. 2007, 218 (Regeling NIBM) van belang.

Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer.

Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is, dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% (1,2 ìg/m3). De NIBM-regeling van 3% is gekoppeld aan de vaststelling van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Bij de NIBM toets gaat het om de toename van de luchtverontreiniging als gevolg van het project, afgezet tegen de autonome ontwikkeling. De toetsing aan grenswaarden blijft bij de beoordeling van NIBM achterwege, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden.

In het voorliggende plan is geen sprake van een significant negatief effect op de luchtkwaliteit ter plaatse omdat slechts de splitsing van bestaande activiteiten plaatsvindt. Derhalve is geen sprake van een toename in het aantal verkeersbewegingen. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.1 heeft de scheiding van de bedrijfsactiviteiten een afname tot gevolg met betrekking tot het (intern) transport. Hierdoor wordt eerder een afname van het aantal verkeersbewegingen gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie.

Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat het voorliggend plan niet zal leiden tot een overschrijding van de grenswaarden. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk