direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kerkwijk, Hoogveldweg
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel heeft 7 november 2017 een positief standpunt ingenomen om tot een woningbouwontwikkeling aan de Hoogveldweg te Kerkwijk te komen. De woningbouw draagt bij aan het invullen van de lokale woningbehoefte voor Kerkwijk de komende jaren.

Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel om de voorgenomen ontwikkeling van deze woningbouwlocatie planologisch mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het projectgebied is gelegen aan de Hoogveldweg te Kerkwijk. Het projectgebied is kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk sectie O, nr. 563 en 564, ter grootte van 7.600 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0001.png"

Luchtfoto (bron: www.pdok.nl)

1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen)

Voor het plangebied geldt grotendeels de beheersverordening 'Aalst, Delwijnen, Kerkwijk', vastgesteld op 27 juni 2017. Het gebied heeft deels de bestemming Groen- Landelijk groen en deels de bestemming Wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0002.png"

Beheersverordening 'Aalst, Delwijnen, Kerkwijk' (bron: www.pdok.nl)

Het noordoostelijk deel van het plangebied valt binnen de plangrenzen van bestemmingsplan 'Buitengebied, Zaltbommel', vastgesteld 29 juni 2013. Dit deel heeft de bestemming Agrarisch met waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0003.png"

Bestemmingsplan 'Buitengebied, Zaltbommel' (bron: www.pdok.nl)

Voor het gehele plangebied (zowel het gedeelte binnen de beheersverordening als het gedeelte binnen bestemmingsplan Buitengebied, Zaltbommel) is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 van toepassing.

1.4 Leeswijzer toelichting

In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten en volgen de randvoorwaarden die voortkomen uit planologische- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied

Het plangebied Hoogveld ligt aan de rand van het dorp Kerkwijk aan de Hoogveldweg. Kerkwijk is een voormalige heerlijkheid (het territorium of leen van een landsheer, die in dit gebied de rechten uitoefende) en was voorheen een eigen gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0004.jpg" Analyse dichtheden (bron: Urban Jazz)

Het dorp is waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen ontstaan op een stroomrug. Dit is een in het landschap zichtbare voormalige rivierloop met oeverwallen, gekenmerkt door de verhoogde ligging. Nog steeds is dit te herkennen aan de historische wegen en lintbebouwing langs de wegen. Deze zijn gelegen op deze hogere delen.

Daarnaast is ook de vluchtheuvel op de hoek van de Hoogveldweg en de Aalderwijksestraat, die als veilige plek diende bij overstromingen, nog in tact gebleven is. De belangrijkste wegen en structuren die tegenwoordig te herkennen zijn in het landschap gaan zodoende eeuwen terug.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0005.jpg"

Analyse hoogteverloop (bron: Urban Jazz)

Door de minimale uitbreiding van het dorp heeft Kerkwijk met de jaren een historische uitstraling kunnen behouden, met veel oude en bijzondere panden op grote groene percelen. Met name het groene karakter binnen de kern van Kerkwijk is karakteristiek voor het dorp. Dit groen bestaat uit een afwisseling van parkachtige tuinen, (wilgen)bosjes, boomgaarden en weiden. Open en gesloten plekken wisselen elkaar zodoende af.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0006.jpg"

Historische kaart 1900 met plangebied (bron: Urban Jazz)

Pas vanaf de 90'er jaren kwam er planmatige woningbouwontwikkeling op gang die als verdichting in het oorspronkelijke dorpslint gerealiseerd is, alsmede enkele zelfstandige buurtjes aan de oostkant van het dorp (Hopland) en op de locatie van het voormalige raadhuis.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0007.jpg"

Historische kaart 2000 met plangebied (bron: Urban Jazz)

Aan de noordzijde van de buurt Hopland, grenst het plangebied Hoogveld. Aan de noordzijde wordt Hoogveld begrensd door de Hoogveldweg richting Bruchem, een relatief nieuwe weg die pas omstreeks 1955 is aangelegd. Toch is ook aan deze weg sinds de tweede helft van de vorige eeuw een lint van boerderijen ontstaan.

Momenteel heeft het plangebied Hoogveld grotendeels de functie van weiland. Binnen de grenzen van het plangebied is verder nog een schuur en paardenbak te vinden. Rondom deze twee objecten is verharding aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0008.png"

Huidige situatie plangebied


Hoogveld wordt aan de noord, zuid en oostzijde begrensd door een watergang en aan de westzijde door woningen. Aan de noordzijde en zuidoostzijde van het plangebied is weiland te vinden, Het weiland aan de zuidoostzijde is niet zichtbaar door een wintergroene haag die rondom dit perceel staat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0009.png"

Boven bebouwing Hopland, onder bebouwing Hoogveldweg (bron: Funda)

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0010.png"


Ten zuiden van Hoogveld staat de buurt Hopland gebouwd in de jaren '00. Aan weerszijde van de doorgang naar het plangebied vanaf de Hopland staan twee woningen gebouwd in dezelfde stijl als de buurt Hopland. Aan de noordzijde van Hoogveld loopt de Hoogveldweg richting Bruchem, een relatief nieuwe weg die pas omstreeks 1955 is aangelegd. Aan deze weg staan verschillende boerderijen, vrijwel allemaal gebouwd in de jaren '60 en '70 ten tijden van de ruilverkaveling. Dit geldt ook voor de woning ten westen van het plangebied aan de Hoogveldweg. Door de vele boerderijen aan de Hoogveldweg heeft deze, ondanks zijn korte bestaan, de uitstraling heeft van een lint.

2.2 Toekomstige situatie plangebied

Het gebied zal worden herontwikkeld van een voormalige agrarische locatie tot een woongebied, met een mix van woningen voor verschillende doelgroepen, waarbij het aandeel sociale koop- en hurwoningen circa 1/3 bedraagt. Onder sociale koop wordt verstaan een maximum koopprijs van € 200.000.  Onder sociale huur wordt verstaan met een huurprijs onder de huurtoeslaggrens.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0011.jpg"

Kansen en knelpunten (bron: Urban Jazz)

Op basis van de in paragraaf 2.1 beschreven karakteristieken van het dorp, en de verkenning van kansen en knelpunten van het plangebied en omgeving, zijn bij het opstellen van het stedenbouwkundige (verkavelings)plan een aantal randvoorwaarden gehanteerd (zie onderstaande figuur):

  • Aan de oostzijde van het plangebied is een groene, open ruimte toegepast om de overgang van de kern naar het buitengebied herkenbaar te maken en om aan te sluiten bij de groene karakteristiek van het dorp met de diverse doorzichten.
  • De voornaamste ontsluiting van het plangebied loopt via de Hoogveldweg, die als verbindingsweg fungeert tussen Bruchem en Kerkwijk en daarom momenteel ook als zodanig ingericht is.
  • De ontsluiting voor langzaam verkeer is gekoppeld aan de Hopland, die de functie en inrichting heeft van een woonstraat.
  • Tevens dient er voldoende bruikbaar groen zijn voor de toekomstige bewoners van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0012.png"

kaart gemeente Zaltbommel (bewerking Urban Jazz)

De nieuwe woonbuurt Hoogveld moet kortom een herkenbare afronding van het dorp vormen, met de bijbehorende kwaliteiten daarvan. Dit betekent - naast de juiste stedenbouwkundige keuzes - tevens een passende architectuur van fraaie gevels gericht op het landelijk gebied.


Naar aanleiding van de randvoorwaarden en de ligging van het plangebied is daarom gekozen voor een stedenbouwkundig concept dat refereert naar de vormgeving van een boerenerf. Dit resulteert in een ontwerp bestaande uit een informele ruimte met een nadrukkelijk groene inrichting en bebouwing met een bijzondere architectuur, geïnspireerd op oorspronkelijke boerderijen in de nabije omgeving.

Het stedenbouwkundige concept is uitgewerkt in een verkavelingsplan dat ruimte biedt aan in totaal circa 23 woningen. Zie onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0013.png"

Verkavelingplan met plangebied (bron: Urban Jazz)

Bebouwing

Om het karakter van het lint voort te zetten wordt op de kop van het plangebied aan de Hoogveldweg een bouwblok gesitueerd met de bouwmassa en -vorm van een boerderij. Dit woonblok heeft de allure van een grote boerderij met een kop en gekoppelde schuur. In de kop van de boerderij zijn ongeveer 6 wooneenheden gesitueerd en de schuur bestaat uit 8 rug-aan-rug woningen.

Achter deze boerderij staat 1 vrijstaande woning, 2 tweekappers en 6 rijwoningen. Deze in totaal 9 woningen zijn ruimtelijk ondergeschikt aan de boerderij aan de Hoogveldweg. Voor een gedetailleerde toelichting op de architectuur wordt verwezen naar het beeldkwaliteitplan (zie Bijlage 1)

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0014.jpg"

Referentiebeeld (bron: Urban Jazz)

Infrastructuur

Vanaf de Hoogveldweg bestaat de entree tot het plan uit een toegang waarmee men de nieuwe woonbuurt binnen komt. Vervolgens leidt de straat zuidwaarts door het groen en buigt af richting de Hopland. De ontsluitingsstructuur wordt zo gevormd door één straat die voor gemotoriseerd verkeer doodloopt richting de Hopland. Voor langzaam verkeer is hier wel een doorsteek gemaakt. Deze doorsteek kan in het geval van calamiteiten ook worden gebruikt door gemotoriseerd verkeer. De voetpaden zijn in het plan langs de woonpercelen gelegd. Aan de 'achterzijde' (westzijde) van de boerderij ligt een verbreed trottoir dat de rug-aan-rug woningen aan deze zijde bereikbaar maakt. Dit pad loopt ook voor de kop van de boerderij langs en kan eventueel parallel aan de Hoogveldweg voor de verbinding met het dorp zorgen voor voetgangers.

Om de uitstraling van een erf te bereiken liggen het trottoir en de rijbaan op eenzelfde hoogte en wordt het onderscheid in functie herkenbaar gemaakt door middel van verschil in kleurgebruik, formaat en/of bestratingsverband. De gekozen materialen en inrichtingselementen ondersteunen de uitstraling van een boerenerf, gebakken materialen en halfverharding hebben hierbij de voorkeur.

Parkeren

Langs de ontsluitingsstraat wordt uitgegaan van haakse parkeerplaatsen in het groen en langsparkeren aan de kop van het schuurdeel. Tegenover de rijwoningen is een parkeerkoffer gesitueerd die zorgt voor parkeren dicht bij de woningen, waarbij het parkeren toch zoveel mogelijk uit het straatbeeld wordt gehouden. In paragraaf 4.5.1.3 is de parkeernorm voor het initiatief toegelicht.


Groen en water

De algemene uitstraling van het groen is open en landelijk, passend bij de overgang van dorp naar buitengebied. Het groen aan de oostzijde van het plangebied is zeer bepalend voor de uitstraling van het totale plan. Hierbij is een open grasveld met enkele (fruit)bomen het uitgangspunt. De weg die door de groene zone heen loopt is ondergeschikt hieraan. Door deze groene zone loopt een informeel schelpenpad of een uitgemaaid pad.

Voor de noordzijde en zuidzijde van de boerderij staan leibomen, wat karakteristiek is voor oude boerderijen. Het groen rondom de kop van de boerderij is meer gecultiveerd, hierbij kan gedacht worden aan (bloemrijke) vaste planten en heesters.

De watergangen rondom het plangebied worden gehandhaafd. Waar mogelijk wordt kantverbetering toegepast. Een natuurlijke oever aan de oostzijde van het plangebied is denkbaar om zo een informeler en natuurlijke karakter te laten ontstaan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. Op 30 december 2011 (wijziging 1 oktober 2012) is het Barro in werking getreden. In de Structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft:

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn.
Structuurvisies hebben op zichzelf geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen worden daarom geborgd in de Amvb Ruimte. Deze Amvb wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn verschillende bepalingen opgenomen, o.a. ten aanzien van Rijksvaarwegen, hoofdwegen en - spoorwegen. Er zijn geen bepalingen die direct betrekking hebben op het plangebied.

3.1.1.1 Conclusie

De onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van 23 woningen aan de rand van Kerkwijk, gemeente Zaltbommel. Het plangebied heeft geen directe relatie met één van de thema's of bepalingen uit het Barro. Voor het plan zijn ten aanzien van dit beleidsonderdeel dus geen knelpunten te verwachten.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geactualiseerd in juni 2017. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.


De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".

3.1.2.1 Conclusie

Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Het plan maakt de realisatie van in totaal 23 woningen mogelijk. In de subparagrafen 3.2.3 en 3.3.1 is deze woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) nader onderbouwd.

Het is vanuit een duurzaam ruimtegebruik (ladder duurzame verstedelijking) zeer wenselijk om gebruik te maken van inbreidingslocaties. Kerkwijk is in die zin een bijzonder dorp. De kern bestaat uit een aantal kwetsbare karakteristieke linten met veel openheid. Aan de oostkant van de kern, globaal tussen de Torenstraat en de Hopland, bevindt zich een concentratie van relatief jonge bebouwing. Het ligt voor de hand om inbreidingslocaties in dit gebied te concentreren om zo de linten te sparen.

De Hoogveldweg is een relatief jonge weg in Kerkwijk (ontstaan in de jaren ’50). De straat heeft een beperkte cultuurhistorische waarde. Toch is het wel de meest directe verbinding richting de zuidkant van Bruchem.

Van oorsprong maakt het weidse open landschap tussen Kerkwijk en Bruchem dat beide kernen duidelijk beleefbaar waren als zelfstandige nederzettingen. Recent is een belangrijk deel van deze open tussenruimte echter bebouwd met kassen. Tussen de kassen en Hoogveldweg 6 is nu slechts nog een bescheiden doorkijk aanwezig richting het open landschap. De impact van inbreiding aan de Hoogveldweg is minder groot dan op andere locaties in de kern. Dit met name vanwege de cultuurhistorische kwaliteiten die aanwezig zijn in de kern. Door inbreiding binnen het plangebied kan een open doorzicht aan de noordzijde van het plangebied gevrijwaard blijven.

3.2 Provinciaal beleid

Het ruimtelijk beleid van de provincie Gelderland is verwoord in de Omgevingsvisie Gelderland. De onderwerpen waar de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid juridisch wordt verankerd zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe Omgevingsvisie. In deze paragraaf vindt een toetsing van het initiatief plaats aan deze documenten.

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

De nieuwe Omgevingsvisie van Gelderland geeft de richtlijnen voor de ruimtelijke, fysieke en economische inrichting van de provincie. Gemeentelijke plannen en initiatieven van ondernemers, burgers en instellingen kunnen aan dit beleid getoetst worden. De nieuwe Omgevingsvisie Gaaf Gelderland kent een aantal nieuwe beleidsthema's (ambities) en een aantal aanpassingen van het beleid op bestaande thema's. Het beleid is meer strategisch van karakter.

In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ beschrijft de provincie het beeld op de toekomst. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Gelderland bevindt zich op een cruciaal punt in de tijd. De wereld verandert ingrijpend met nieuwe vraagstukken zoals het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare

biodiversiteit, digitalisering, internationalisering.

Bij de taakinvulling legt de provincie de focus op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie als werkende bestanddelen voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wordt gedaan door het nastreven van zeven met elkaar samenhangende ambities:

1. energietransitie;

2. klimaatadaptie;

3. circulaire economie;

4. biodiversiteit;

5. bereikbaarheid;

6. vestigingsklimaat;

7. woon- en leefomgeving.

Ad 7) Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. Het benutten van bestaande gebouwen heeft de voorkeur. Gestreefd wordt naar concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, is uitbreiding aan de randen van de steden of dorpen in beeld. Bij de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop. Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat weet te anticiperen op ontwikkelingen. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut. In 2050 zijn alle woningen klimaatneutraal. Het ruimtelijk beleid uit de provinciale omgevingsvisie van 2014 en de actualisatie wordt voortgezet. Dit zelfde geldt voor het waterbeleid, milieubeleid, natuur en landschapsbeleid en verkeers en vervoersbeleid.

3.2.1.1 Conclusie

Het plan maakt de realisatie van in totaal 23 woningen mogelijk. In de subparagrafen 3.2.3 en 3.3.1 is de woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) nader onderbouwd.

Het is vanuit een duurzaam ruimtegebruik zeer wenselijk om gebruik te maken van inbreidingslocaties. Kerkwijk is in die zin een bijzonder dorp. De kern bestaat uit een aantal kwetsbare karakteristieke linten met veel openheid. Aan de oostkant van de kern, globaal tussen de Torenstraat en de Hopland, bevindt zich een concentratie van relatief jonge bebouwing. Het ligt voor de hand om inbreidingslocaties in dit gebied te concentreren om zo de linten te sparen.

De Hoogveldweg is een relatief jonge weg in Kerkwijk (ontstaan in de jaren ’50). De straat heeft een beperkte cultuurhistorische waarde. Toch is het wel de meest directe verbinding richting de zuidkant van Bruchem.

Van oorsprong maakt het weidse open landschap tussen Kerkwijk en Bruchem dat beide kernen duidelijk beleefbaar waren als zelfstandige nederzettingen. Recent is een belangrijk deel van deze open tussenruimte echter bebouwd met kassen. Tussen de kassen en Hoogveldweg 6 is nu slechts nog een bescheiden doorkijk aanwezig richting het open landschap. De impact van inbreiding aan de Hoogveldweg is minder groot dan op andere locaties in de kern. Dit met name vanwege de cultuurhistorische kwaliteiten die aanwezig zijn in de kern. Door inbreiding binnen het plangebied kan een open doorzicht aan de noordzijde van het plangebied gevrijwaard blijven.

3.2.2 Omgevingsverordering Gelderland

De nieuwe Omgevingsverordening bouwt voort op de geldende Omgevingsverordening en wordt opgeschoond, aangepast en aangevuld. Hierbij wordt uitdrukkelijk gekozen voor een verordening die past binnen de kaders van de Omgevingswet. Naast redactionele wijzigingen zijn er ook enkele beleidsinhoudelijke wijzigingen (actualisatie). De aanleiding daarvoor ligt in maatschappelijke of wettelijke ontwikkelingen, waarbij de nieuwe Omgevingsvisie als uitgangspunt is genomen.

Ter borging van de beleidsdoelen en werkwijze uit het provinciale woonbeleid in de 'Koers Wonen' (januari 2018) worden de regels in de verordening verduidelijkt zodat de verordening in lijn blijft met de 'Koers Wonen'. Uitgangspunt is dat elke regio altijd beschikt over een actuele regionale woonagenda.

Hierbij worden netwerken van verschillende publieke en private partijen gecreëerd die capaciteit, kennis en middelen bundelen om gezamenlijk de opgaven op de regionale woningmarkt aan te pakken. De status van de kwantitatieve opgave is opgenomen in artikel 2.2.1.1 'wonen'. Binnen de kwantitatieve opgave 'wonen' kunnen gemeenten en andere relevante partijen in de regio gezamenlijk nagaan wat nodig is voor een goed functionerende regionale woningmarkt. De bestaande gebouwde voorraad staat daarbij centraal. Afspraken worden gemaakt over aanpassing van bestaande woningen, sloop met vervangende nieuwbouw, verdunning, het benutten van kansen van functieverandering en tenslotte de nieuwbouw. Bij de provinciale programmering is aangegeven dat flexibiliteit is gewenst. Tijdelijke overcapaciteit kan gewenst zijn, bijvoorbeeld wanneer een gemeente een bepaald plan wil wisselen voor een plan dat beter tegemoet komt aan de woningbehoefte of aan het (locatiekeuze)beleid van de Omgevingsvisie. De provincie biedt daarvoor onder voorwaarden een mogelijkheid. Zij neemt hierin een regierol.

3.2.2.1 Doorwerking planvoornemen

Zoals in 3.2.3 beschreven, past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regionale afspraken. Voor het overige zijn er geen regels in de Verordening opgenomen die van invloed zijn op dit bestemmingsplan.

3.2.3 Regionale Woonagenda en Regionaal Woningbouwprogramma
3.2.3.1 Regionale Woonagenda

De provincie Gelderland geeft in de Omgevingsverordening aan dat van de regio's wordt verwacht dat zij hun beleid op het gebied van wonen afstemmen met (externe) partners in een 'regionale woonagenda'. Hierin zijn de belangrijkste thema's omschreven waaraan de betreffende regio gaat werken. Het is feitelijk een regionaal actieprogramma. In de regionale woonagenda zijn de volgende thema's opgenomen:

  • Regionaal woningbouwprogramma;
  • Bestaande woningvoorraad;
  • Wonen en zorg;
  • Doorstroming;
  • Arbeidsmigranten;
  • Verblijfsgerechtigden;
  • Woonlasten en betaalbaarheid;
  • Flexibele tijdelijke woonvormen.

Het Regionaal Woningbouwprogramma heeft direct invloed op woningbouwplannen. De Omgevingsverordening bepaalt namelijk in artikel 2.2.1.1 dat in een bestemmingsplan nieuwe woningbouwlocaties, en de daar te bouwen woningen, slechts worden toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woningbouwprogramma en de vastgestelde Kwantitatieve Opgave Wonen voor de betreffende regio. De overige thema's worden op regionaal of lokaal niveau uitgewerkt in beleid of in uitvoeringsacties.

3.2.3.2 Regionaal Woningbouwprogramma Regio Rivierenland

De gemeenten in de Regio Rivierenland, waaronder de gemeente Zaltbommel, hebben afspraken gemaakt voor het opstellen en jaarlijks actualiseren van een regionaal woningbouwprogramma. Op 30 mei 2016 hebben de provincie en de regio(gemeenten) afspraken gemaakt over de Kwantitatieve Opgave Wonen voor de periode 2015 - 2024. Gedeputeerde Staten hebben deze afspraken op 12 juli 2016 vastgesteld.

Het plangebied is niet opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering, als harde plancapaciteit.

Op basis van de Regionale woningbouwprogrammering heeft de gemeente Zaltbommel een beschikbare capaciteit van ongeveer 1.115 woningen tot 2025 (op basis van Primos2016). Hiervan zijn er 955 opgenomen in juridisch-planologische harde capaciteit. Dit betekent dat er nog ruimte is voor 160 woningen die op dit moment nog niet met een bouwtitel in een bestemmingsplan zijn opgenomen. De nog niet toegewezen woningen kunnen echter niet gebruikt worden voor een plan als deze. Het woningbouwprogramma en bijbehorende contingent wordt momenteel herzien. Hiervoor wordt een regionaal woningbehoefte-onderzoek (WBO) uitgevoerd. In december 2018 is een Bommelerwaards WBO uitgevoerd waaruit blijkt dat er meer behoefte aan woningen is dan in het woningbouwprogramma is opgenomen. In Kerkwijk wordt een kleine behoefte gezien die nog niet is ingevuld. Dit plan past bij deze behoefte. De 23 woningen worden toegevoegd aan het woningbouwprogramma.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie Bommelerwaard

In de Woonvisie Bommelerwaard 2016 - 2020 zetten de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel voor de komende jaren hun koers uit op het gebied van Wonen. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft de woonvisie op 14 juli 2016 vastgesteld.

Ambities en woonthema’s

De komende jaren willen de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel samen met de woningcorporaties, partners en burgers werken aan:

  • De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: hierbij gaat het om het behoud en versterken van de kwaliteit van de woningen. Duurzaamheid, flexibiliteit en diversiteit zijn hierbij belangrijk.
  • Passende woningvoorraad: beide gemeenten willen dat heel gericht woningen worden toegevoegd die passen bij de lokale vraag. Dit betekent maatwerk in de kernen en gefaseerde woningbouw zodat bijsturen mogelijk is.
  • Voldoende betaalbare woningen: er is vraag naar betaalbare woningen in de Bommelerwaard. Hier willen beide gemeenten in voorzien met bijzondere aandacht voor starters en de lage- en middeninkomens.
  • Wonen, welzijn en zorg: uitgangspunt is het langer zelfstandig wonen van mensen met een ondersteuningsbehoefte. De geschiktheid van de woningen en de woonomgeving, de match tussen vraag en aanbod van wonen met zorg en de bereikbaarheid van voorzieningen zijn van groot belang. Dit vraagt om samenwerking tussen veel verschillende partijen.
  • Kwaliteit van de woonomgeving: Uitgangspunt is de identiteit en de kracht van de dorpen en kernen zelf. Beide gemeenten faciliteren initiatieven vanuit de lokale gemeenschappen en bieden waar nodig professionele ondersteuning. Ontmoeten en verbinden vinden beide gemeenten een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van de woonomgeving.

Uit subparagraaf 3.2.3 blijkt dat de woningbouw kwantitatief passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma, dat regionaal is afgestemd. De woningbouw zal een mix zijn voor verschillende doelgroepen, zowel huur als koop. Hiermee is de woningbouw in lijn met de kwalitatieve ambities zoals gesteld in de Woonvisie Bommelerwaard.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Geurhinder
4.1.1.1 Wettelijk kader

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij en voor de ammoniakuitstoot aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De ammoniak- en geurvoorschriften van paragraaf 3.5.8 Activiteitenbesluit blijven buiten toepassing.

In bepaalde gevallen geldt op basis van de systematiek uit de Wgv een maximaal toegestane geurbelasting (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

De wet bevat normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Op grond van de Wgv gelden vaste afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (de extensieve veehouderijen). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt.


Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom.

Op basis van de wet kan de gemeente een geurverordening vaststellen, die tot doel heeft woningbouw in de dorpen veilig te stellen en de geurbelasting van de bestaande woongebieden niet of nauwelijks toe te laten nemen. Op basis van deze verordening kunnen de afstanden waarmee rekening moet worden gehouden worden beperkt.

Op 14 januari 2010 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel een geurverordening vastgesteld, zoals bedoeld in de Wgv. De verordening is op 19 januari 2010 in werking getreden. Het gebied waarop dit betrekking heeft betreft het gehele grondgebied van de gemeente Zaltbommel. In afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid onder a Wet geurhinder en veehouderij voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom (100 meter) is als waarde (afstand) van toepassing 50 meter.

Op 13 september 2012 is de 'Eerste wijziging Geurverordening gemeente Zaltbommel' vastgesteld. In deze wijziging zijn voor een aantal nieuwbouwplannen de geurnormen gewijzigd.

De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een intensieve veehouderij ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet-concentratie gebied. De gemeente Zaltbommel is gelegen in een zogenaamd niet-concentratiegebied. Voor niet-concentratiegebieden geldt als standaard norm 2 OU/m3 voor locaties binnen de bebouwde kom en 8 OU/m3 voor locaties buiten de bebouwde kom. Indien de berekende geur belasting lager is dan de van toepassing zijnde norm, staat dit de realisatie van een nieuw geurgevoelig object niet in de weg.
De afstanden worden gemeten tussen het meest nabijgelegen emissiepunt en de gevels van de omliggende geurgevoelige objecten. Het plangebied is in de nieuwe situatie te beschouwen als bebouwde kom waardoor een norm van 2 OU/m3 geldt.

De begripsbepaling van geurgevoelig object is opgenomen in artikel 1 van de Wgv. Tot 1 januari 2013 werd onder een geurgevoelig object volgens dit artikel het volgende verstaan: "een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt." Of bij een gebouw daadwerkelijk sprake is van een langdurig verblijf en daarmee als een geurgevoelig object is aan te merken dient telkens aan de hand van de concrete situatie te worden beoordeeld. Hierover is inmiddels de nodige jurisprudentie verschenen. Voor geur is het bouwvlak bepalend voor de beoordeling of er sprake is van het toevoegen van een geurgevoelig object. Voorliggend bestemmingsplan voegt met 23 nieuwe woningen geurgevoelige objecten toe.

4.1.1.2 Onderzoek

De geurhinder die feitelijk in een bepaald gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd.

Voorgrondbelasting

Onderzocht is welke veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn waarvoor de vaste afstanden gelden. Op circa 332 m afstand ligt de dichtstbijzijnde veehouderij aan de Aalderwijksestraat 38. Dit betreft een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld.

Deze afstand is groter dan de minimale afstand van 50 meter die geldt vanuit de wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij of Activiteitenbesluit milieubeheer), alsmede de geurverordeningen.

Het plangebied is in de nieuwe situatie te beschouwen als bebouwde kom waardoor een norm van 2 OU/m3 voor de voorgrondbelasting geldt. Dit komt overeen met de klasse waarbij de milieukwaliteit wordt omschreven als ‘redelijk goed’.

Voor diercategorieën met een geuremissiefactor dient binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied beoordeeld worden. In de omgeving van de planlocatie zijn de volgende veehouderijen met diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld.

adres   afstand   diersoort(en)  
Nieuwstraat 7 Bruchem   1330 m   schapen, kippen, paarden  
Nieuwstraat 8 Bruchem   1280 m   schapen, paarden  
Vreedstraat 23 Bruchem   1012 m   melk- en kalfkoeien vrouwelijk jongvee vleeskalveren  
Achterdijk 53 Hedel   1800 m   schapen  
Zandweg 13 Ammerzoden   1500 m   vleesstieren  
Delwijnsekade 3 Well   1100 m   varkens  

Op een afstand van ruim 1 kilometer ligt het dichtstbijzijnde bedrijf met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld aan de Vreedstraat 23 met 13 vleeskalveren. De planlocatie ligt op voldoende afstand van deze veehouderij. Dit bedrijf vormt door de beperkte omvang ook geen rol van betekenis in de achtergrondbelasting.

De inrichting aan de Nieuwstraat 7 heeft 20 kippen en 20 schapen, en die aan de Nieuwstraat 8 heeft 15 schapen. Ook voor deze bedrijven geldt dat deze door de beperkte omvang ook geen rol van betekenis in de achtergrondbelasting vormen. Gelet de afstanden tot deze veehouderijen en de beperkte omvang van de bedrijven is er geen aanleiding om aan te nemen dat wegens de voorgrondbelasting veehouderijen in hun belangen geschaad worden.

Aan de Achterdijk 53 is een bedrijf gevestigd met 1485 schapen. Voor dit bedrijf is de laatste beschikking afgegeven in 2011. De geuremissie van dit bedrijf is afgenomen sinds 2002.

Het bedrijf aan Zandweg 13 te Ammerzoden heeft een beschikking uit 2002 waaruit blijkt dat het bedrijf 200 vleesstieren houdt.

Aan de Delwijnsekade 3 te Well is een IPPC-varkenshouderij gevestigd met 5728 varkens, laatst vergund in 2015. De geuremissie is door het nieuwe stalsysteem zeer sterk afgenomen sinds 2007.

De laatste drie genoemde bedrijven zullen een belangrijke bijdrage vormen aan de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied. Aannemelijk is dat vanwege de grote afstand van de bedrijven tot de planlocatie de norm van 2 OU/m3 niet wordt overschreden en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Deze laatstgenoemde veehouderijen worden door de ligging van andere geurgevoelige objecten al beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden. Door het onderhavige plan worden deze veehouderijen hierin niet aanvullend beperkt.

Achtergrondbelasting (beoordeling woon- en leefklimaat)

In de onderhavige situatie geldt, op basis van de kaart “Zaltbommel, Achtergrondbelasting toekomstige situatie” (d.d. 6 juli 2009) voor de planlocatie in de toekomstige situatie een matig leefklimaat (milieukwaliteit) op basis van de achtergrondbelasting (de achtergrondbelasting bedraagt bij deze klasse 6,5-10 OuE/m³).

Sinds 2009 zijn er in een straal van 2 km veranderingen opgetreden in de vergunde situatie van veehouderijen. In geen enkel geval heeft dit echter geleid tot een toenemende geurbelasting. Op basis hiervan kan geconstateerd worden dat de gegevens uit de geurverordening voor voorliggende plan nog actueel zijn.

De milieukwaliteit met als kwalificatie 'matig' wordt, vanwege de ligging op de overgang naar buitengebied aanvaardbaar geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0015.png" Kaart “Zaltbommel, Achtergrondbelasting toekomstige situatie” (bron: geurverordening Zaltbommel)

4.1.1.3 Conclusie

De milieukwaliteit met als kwalificatie 'matig' wordt, vanwege de ligging op de overgang naar buitengebied aanvaardbaar geacht.

4.1.2 Geluid
4.1.2.1 Wettelijk kader

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten.

De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.

Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waardebesluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor day- evening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB).

Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer.

In de Wet geluidhinder (artikel 74 lid 1) is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft. Uitgezonderd zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg.

Zodra binnen deze geluidszones nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd dan wel aanpassing van wegen moet plaatsvinden, is akoestisch onderzoek vereist op grond van de Wet geluidhinder. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. Bij hogere grenswaarden dan de voorkeursgrenswaarde dan wel bij eerder vastgestelde hogere grenswaarden, maar niet hoger dan de maximaal toelaatbare hogere grenswaarde, zal een nieuw ontheffingsbesluit in het kader van de toepassing van de Wet geluidhinder moeten worden genomen (De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie). Een ontheffingsbesluit kan worden genomen indien aan nadere randvoorwaarden van het gemeentelijke geluidhinderbeleid wordt voldaan.


De Wet geluidhinder is echter niet het enige instrument voor het ordenen van de omgevingskwaliteit. Inmiddels leert vaste jurisprudentie dat binnen zoneloze wegen (30 km/h-wegen) en buiten geluidzones (bv. onvoldoende of niet afgeschermde rijkswegen) op grond van de Wro in het kader van goede ruimtelijke ordening geluidonderzoeken toch noodzakelijk kunnen zijn en, vooral bij al aanwezige hoge geluidsbelastingen, afwegingen moeten worden gemaakt met betrekking tot het eventueel treffen van maatregelen.

4.1.2.2 Onderzoek

Er is sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten (woningen) in de zin van de Wet geluidhinder in de zone rondom een 50 km/ uur weg (Hoogveldweg) en nabij de zoneloze Hoogveldweg. Deze laatste wordt in het kader van de toepassing van de Wet geluidhinder verkeerslawaai buiten beschouwing gelaten, hoewel rekening dient te worden gehouden met het geluid van deze weg in het kader van 'goede ruimtelijke ordening'.

De verkeersintensiteit op de Hoogveldweg is dusdanig dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de Hoogveldweg, binnen de bebouwde kom.

De overige wegen, zoals de Hopland, nabij de woningen zijn woonstraten met een 30 km-regime een lage verkeersintensiteit. Gezien de lage verkeersintensiteiten is het te verwachten dat de er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB is. Voor de omliggende woonstraten is dan ook geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.

De zone van de Hoogveldweg, buiten de bebouwde kom, bedraagt 250 meter op basis van de Wgh.

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Hoogveldweg, buiten de bebouwde kom, bedraagt 47 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 50 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh echter wel aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh.

Doordat de cumulatieve geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh zijn deze geluidsbelastingen op basis van de Wgh acceptabel. Voor de volledige onderzoeksresulaten wordt verwezen naar Bijlage 2.

4.1.2.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.1.3 Bodem
4.1.3.1 Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:

  • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
  • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan;
  • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

Wet bodembescherming

Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).

Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.

4.1.3.2 Onderzoek

Nipa Milieutechniek B.V. heeft opdracht gekregen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest binnen het plangebied (zie Bijlage 3).

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek en het verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Hopland-Hoogveldweg te Kerkwijk, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters uit de standaardpakketten voor grond en/of grondwater. De bouwvoor van de onderzoekslocatie is niet verontreinigd met bestrijdingsmiddelen.

Uit een maaiveldinspectie van de locatie is gebleken dat op het maaiveld fragmenten asbesthoudend
plaatmateriaal voorkomen. Incidenteel is asbesthoudende materiaal in de bodem waargenomen. De
bodem is niet verontreinigd met asbest in gehaltes boven de interventiewaarde.

4.1.3.3 Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.

4.1.4 Externe veiligheid
4.1.4.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risico aanvaarding.

4.1.4.2 Onderzoek

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen:

  • het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi;
  • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;
  • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen;
  • het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water.

In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0016.png"

Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

4.1.4.3 Conclusie

Er zijn voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.5 Bedrijven en milieuzonering
4.1.5.1 Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering

In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.

4.1.5.2 Onderzoek

Omgevingstype

In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De directe omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een rustige buitengebied. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, niet gereduceerd kunnen worden.


Categorie bedrijvigheid

In onderstaande tabel is weergegeven welke type inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, tot welke VNG-categorie deze behoren en wat de bijbehorende richtafstand is, rekening houdende met omgevingstype 'rustig buitengebied'. De kolom 'werkelijke afstand' is de afstand van de inrichtings-/bedrijfsgrens tot de gevel van de dichtstbijzijnde nieuwe woning. Tevens is aangegeven wat het maatgevende aspect (geur, geluid of stof) is.

Sbi-code   Adres   Omschrijving   milieu-
categorie  
richtaf-
stand  
maatgevende aspect   werkelijke afstand  
29   Aalderwijksestraat 9b   Een bedrijf ten behoeve van de reparatie en onderhoud van voertuigen en machines en een caravanstalling   3.2   100 m   geluid   135 m.  
6024   Hoogveldweg 8   Transportbedrijf   3.1   50 m   geluid   128 m  
6024   Hoogveldweg 11   Transportbedrijf   3.1   50 m   geluid   223 m  
40   Aalderwijksestraat 63   Gasontvangststation   3.1   50 m   geluid   166 m  
14   Aalderwijksestraat 34a   Loonwerkbedrijf   2   30 m   geluid   160 m  
45   Aalderwijksestraat 18a   standbouwbedrijf   2   30 m   geluid   174 m  

4.1.5.3 Conclusie

Aan alle richtafstanden wordt ruimschoots voldaan.

4.1.6 Luchtkwaliteit
4.1.6.1 Wettelijk kader

Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.

Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2.

Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;
  • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;
  • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;
  • projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.1.6.2 Onderzoek

Beoordeling luchtkwaliteit

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van de realisatie van 23 nieuwe woningen.

Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Kerkwijk, Hoogveldweg' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

Goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de Atlas Leefomgeving - Luchtkwaliteit. De concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het plangebied betreffen respectievelijk: 18,3 µg/m3, 18,4 µg/m3 en 11,6 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt hiermee dus niet overschreden.

4.1.6.3 Conclusie

De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig.

Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.


Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).

4.1.7 Spuitzone boomgaarden
4.1.7.1 Wettelijk kader

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen1 .

In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen2 .


Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden.


De woning is het spuitzone gevoelige object. Hetgeen door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is daarbij bepalend. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het is redelijk daarbij uit te gaan van de woning en niet van de tuin.

4.1.7.2 Onderzoek

De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. In de nabijheid van het plangebied zijn geen boomgaarden. Binnen de agrarische bestemming is het evenwel mogelijk om boomgaarden te hebben/ houden.

Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)).

Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones.

Bovenstaande is hier van toepassing en dus behoeft er geen rekening te worden gehouden met spuitzones.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Archeologie
4.2.1.1 Wettelijk kader

De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn:

  • archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen;
  • vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie;
  • bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is.

Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening.

Erfgoedwet

De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

4.2.1.2 Onderzoek

Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling wordt verleend van archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn categorieën archeologische waarden onderscheiden: Waarde-Archeologie 0 t/m 5 en geen Waarde- Archeologie. In de tabel is te zien welke vrijstelling per archeologische waarde geldt. De vrijstellingsgrenzen zijn uitgedrukt in een oppervlakte en een diepte. De onderzoeksplicht geldt wanneer zowel de diepte- als ook de oppervlaktemaat door bodemingrepen wordt overschreden.
Ter plaatse geldt de categorie Waarde-Archeologie 2. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld en groter dan 100 m² is een archeologisch onderzoek verplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0017.jpg"

Archeologische beleidskaart, plangebied omcirkeld.

Gezien de ondergrenzen van de ruimtelijke ontwikkeling overschreden worden is door Transect en archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4).

Op basis van het archeologisch vooronderzoek zijn de volgende conclusies getrokken:

  • Uit het bureauonderzoek blijkt dat in de ondergrond van het plangebied de Bruchem stroomrug begraven ligt. Op de oevers van deze voormalige rivier is theoretisch gezien bewoning mogelijk geweest vanaf de Romeinse tijd doordat deze als relatief hoger gelegen delen in een overwegend laag en nat landschap aantrekkelijke woonplaatsen vormden. Er zijn enkele afzettingen aangetroffen die zijn afgezet aan de rand van een restgeul. Deze zijn afgedekt met een dik pakket oeverafzettingen waardoor ook deze plekken uiteindelijk aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning.
  • De aanwezigheid van een cultuurlaag, samen met de aangetroffen oppervlaktevondsten, wijzen op een hoge trefkans voor archeologische waarden. Indien aanwezig bevinden deze zich dan direct onder de bouwvoor (op een diepte van 20-45 cm –Mv).
  • Het gebied direct ten zuiden van de bestaande schuur is deels afgegraven. Hier is de archeologische verwachting lager dan voor de rest van het plangebied. Grondsporen die tot een dieper niveau reiken (zoals waterputten/kuilen en dergelijke) kunnen hier alsnog worden aangetroffen.

Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord.

4.2.1.3 Conclusie

Gezien de resultaten van het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, adviseert Transect om voor het gehele plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven om de aard, omvang en waarde van de archeologische resten in het plangebied vast te stellen.

Hierom is de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning niet kan worden verleend dan nadat nader onderzoek is uitgevoerd en uit de rapportage blijkt dat de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

4.2.2 Cultuurhistorie
4.2.2.1 Wettelijk kader

Modernisering Monumentenzorg (2009)

De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.

Erfgoedwet (2016)

De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

4.2.2.2 Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling betreft de nieuwbouw van 23 woningen. Er is geen sprake van een monumentale status. Er is ook geen sprake van een cultuurhistorische waarde op grond van de cultuurhistorische waardenkaart Gelderland. Evenmin is het plangebied aangeduid als beschermd dorpsgezicht of nabij gelegen een beschermd dorpsgezicht.

4.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Water

4.3.1 Wettelijk kader

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2009 - 2015. Het Nationaal Waterplan is in december 2009 door de ministerraad vastgesteld.

Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening.

Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.

Kaderrichtlijn water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Gemeente Zaltbommel: Waterplan Bommelerwaard

Het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

4.3.2 Onderzoek
4.3.2.1 Huidige situatie

Het project (ca. 0,75 ha) betreft de herinrichting van locatie “Hoogveld”, aan de rand van Kerkwijk. Binnen het grotendeels uit weiland bestaande gebied, wordt nieuwbouw gerealiseerd. Het plangebied bevindt zich in het stedelijk gebied. Langs de rand van dit gebied zijn watergangen met een B- en C-status aanwezig en geen waterkeringen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0018.png"

Uitsnede legger waterschap Rivierenland (bewerking Urban Jazz)

Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud.

Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone.

Een gedeelte van de B-watergang wordt gedempt ten behoeve van het gebruik als tuin bij de nieuwe alsmede de bestaande woningen. Dit wordt gecompenseerd binnen het plangebied. Voor het graven en dempen van watergangen dient tezijnertijd een watervergunning te worden aangevraagd.

4.3.2.2 Riolering

Binnen het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Voor het inzamelen en afvoeren van hemelwater van de verharde oppervlakken wordt een hemelwaterriool aangelegd met een koppeling op het oppervlaktewater. Voor het inzamelen en afvoeren van vuilwater van de bebouwing binnen het plangebied wordt een vuilwaterriool aangelegd en aangesloten op het gemeentelijke riool. De DWA-productie van de woningen 23 woningen binnen het plangebied wordt geraamd op minder dan 1 m3/ uur. Het ontwerp van het gescheiden rioolstelsel zal worden uitgewerkt conform het beleid en de wensen en regels van de Gemeente.

Het gebied zal waterneutraal worden gebouwd. Dat betekend dat de ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van grondwateroverlast en kwel ten opzichte van de bestaande situatie. Met de aanwezigheid van watergangen langs 3 zijden van het plangebied is de invloed op de omgeving minimaal. Met het vaststellen van het bouwpeil wordt rekening gehouden met de gewenste ontwatering (afstand van maaiveld tot het grondwater) en de omgeving. Hiervoor kan het nodig zijn om drainage toe te passen. Met een waterhuishoudings- en rioleringsplan zal worden aangetoond dat met het toekomstige (grond)watersysteem en de rioleringsontwerp wordt voldaan aan het beleid van de gemeente en het waterschap.

4.3.2.3 Watertoets

Voor het plan is een waterparagraaf opgesteld, zie Bijlage 5. De uitvoering van het oppervlaktewater en het beheer is afgestemd met het Waterschap. De conclusies van dit overleg zijn verwerkt in zowel deze paragraaf als in de bijgevoegde waterparagraaf.

4.3.2.4 Berekening waterberging

Met onderhavige plan is sprake van een toevoeging van het verhard oppervlak van meer dan 1.500 m2, wat betekent dat gecompenseerd moet worden.

De herinrichting voorziet in een toename van het verharde oppervlak, waarbij het tuinoppervlak voor 60% en de halfverharding voor 50% meetelt als het verhard oppervlak. De voorgenomen ontwikkeling heeft door bouw van 23 woningen een toename van het verharde oppervlak (straatverharding en dak) van 3166 m2 tot gevolg.

Conform het beleid van het waterschap is 436 m3 waterberging nodig per hectare verharding, waarbij het waterpeil in de sloot 0,3 m mag stijgen. Dit betekent dat er voor de toename van het verharde oppervlak met 3.166 m2, 460 m2 aan oppervlaktewater nodig is als compensatie. Daarnaast wordt er 123 m2 watergang gedempt, die 1 op 1 gecompenseerd moet worden. In totaal dient er 583 m2 extra oppervlakte water te worden gerealiseerd. Deze compensatie wordt binnenplans met 589 m2 extra wateroppervlak, door middel van een natuurlijke oever aan de oostzijde van het plangebied, voldoende gerealiseerd (oppervlaktewater met B-status).

4.4 Flora en Fauna

4.4.1 Wettelijk kader

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet.

De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´Kerkwijk, Hoogveldweg' het volgende gemeld.

4.4.2 Onderzoek
4.4.2.1 Gebiedsbescherming

De planlocatie is niet gelegen in en/of in de directe nabijheid van een beschermd gebied of locatie betreffende Natura2000, Natuurnetwerk Nederland of weidevogelgebied. Weidevogelgebied bevindt zich op circa 260 m ten zuiden van de planlocatie. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de kenmerken en waarden of tot verstoring van dit weidevogelgebied. Dichtstbijzijnde Natura2000 gebieden betreft het vogel- en habitatrichtlijngebied ‘Rijntakken’ op circa 4.8 km ten noorden van de planlocatie (Figuur 2). Overige Natura2000 gebieden binnen een straal van 10 km rondom de planlocatie betreffen het habitatrichtlijngebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche broek op circa 9.2 km ten westen.

In de Quick scan (zie bijlage Bijlage 6) is geconcludeerd dat de ruimtelijke ingrepen dermate beperkt zijn en dat een negatief effect door externe werking op Natura 2000 gebieden is uitgesloten. Gezien de relatieve kleinschaligheid van de woningontwikkeling is het niet aannemelijk dat de extra stikstofuitstoot leidt tot een overschrijding van de drempelwaarde van 0.05 mol per hectare per jaar voor de Natura2000 gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0019.jpg"

Natura 2000 gebeiden, plangebied omcirkeld. (bron: Orienterend onderzoek beschermde flora en fauna, Blom Ecologie)

Dichtstbijzijnde gebieden van het Natuurnetwerk Nederland liggen op circa 1.8 km afstand van de planlocatie. Op kortere afstand, circa 260 m, bevinden zich gebieden van de groene ontwikkelingszone. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie leidt niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk. Externe werking is ten aanzien van het natuurnetwerk geen toetsingskader.

afbeelding "i_NL.IMRO.0297.KWKBP20190009-VO01_0020.jpg" Natuurnetwerk Nederland, plangebied omcirkeld. (bron: Orienterend onderzoek beschermde flora en fauna, Blom Ecologie)

4.4.2.2 Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is een besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het beschermingsregime andere soorten vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

Blom Ecologie heeft een oriënterend veldonderzoek naar de aanwezigheid van flora en fauna binnen het plangebied uitgevoerd in oktober 2016 (zie Bijlage 6).

In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten.

De realisatie van de woningen is uitvoerbaar. De werkzaamheden leiden niet tot de aantasting van vast rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten.

Gedurende het broedseizoen kunnen de ruimtelijke ingrepen leiden tot effecten op algemene broedvogels. Effecten op beschermde gebieden zijn uitgesloten. De mogelijke aanwezigheid van nestlocaties van algemene broedvogels vormen dan ook geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.

4.4.3 Conclusie

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van gebieden betreffende Natura2000, Natuurnetwerk Nederland of weidevogelgebied. Gezien de relatieve kleinschaligheid van de ontwikkeling en de afstand tot de Natura2000 gebieden wordt er geen overschrijding van de drempelwaarde van de stikstofdepositie verwacht. Van externe werking is derhalve geen sprake.

4.5 Verkeer en parkeren

Dit bestemmingsplan maakt 23 nieuwe woningen ten opzichte van de bestaande situatie mogelijk. Dit levert een andere parkeer- en verkeerssituatie op.

4.5.1 Onderzoek

De woningen zullen worden ontsloten via de weg Hoogveldweg. Vervolgens leidt de straat zuidwaarts door het groen en buigt af richting de Hopland. De ontsluitingsstructuur wordt zo gevormd door één straat die voor gemotoriseerd verkeer doodloopt richting de Hopland. Langs de Hoogveldweg komt tot aan de kruising met de Hopland een volwaardig voetpad. Voor langzaam verkeer wordt een aansluiting van het plangebied op de Hopland gerealiseerd.

4.5.1.1 Verkeersbewegingen

De Hoogveldweg vormt de grootste verkeersafwikkeling van Kerkwijk richting Bruchem. De Hoogveldweg is een erftoegangsweg (60 km/u) buiten de bebouwde kom met een beperkte verkeers-/ ontsluitingsfunctie en de Hoogveldweg is met een wegbreedte van 4,8m ook als zodanig ingericht. De grens bebouwde kom en grens 30 km/u zone ligt overigens ter hoogte van het plangebied.

De etmaalintensiteit bedraagt voor dit type weg maximaal 6000 motorvoertuigen. De bouw van 23 nieuwe woningen zal de huidige verkeersproductie toe laten nemen. Voor grondgebonden woningen dient rekening te worden gehouden met een hogere verkeersgeneratie dan voor appartementen. Gemiddeld is een verkeersgeneratie van 7,5 motorvoertuigen per woning realistisch. Dat brengt een totale verkeersgeneratie van circa 170 motorvoertuigen met zich mee. Gezien de huidige intensiteit van de Hoogveldweg zijn de extra verkeersbewegingen beperkt in relatie tot de huidige intensiteit.

4.5.1.2 Verkeersveiligheid

Het projectgebied wordt ingericht als 30 km/u-zone. Overwogen wordt, gelet op de verkeersveiligheid, om de 30 km/u-grens aan de Hoogveldweg te verplaatsen.

4.5.1.3 Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte hanteert de gemeente parkeernormen. Het aantal parkeerplaatsen dat op basis daarvan nodig is voor het project, moet op eigen terrein worden gerealiseerd. Het Handboek inrichting openbare ruimte is van toepassing. De parkeernorm die geldt voor de rug-aan-rug-, rij, vrijstaande- en tweekapwoningen is minimaal twee parkeerplaatsen op basis van het Handboek waarvan totaal in het plangebied 0,3 pp per woning openbaar moet zijn.

In het verkavelingsplan in paragraaf 2.2 zijn de parkeerplaatsen ingetekend.

Er is uitgegaan van de volgende parkeernormen:

Appartementen sociale huur: 1,5 pp per woning

Rug-aan-rug, rij, vrijstaand, tweekapwoningen: 2 pp per woning

Dit komt uit op een totaal van 43 parkeerplaatsen die nodig zijn in het plan. Bij de hoekwoningen, de tweekappers en de vrijstaande woning worden parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Meerdere parkeerplaatsen op eigen terrein tellen slechts mee als ze bereikbaar zijn zonder het verplaatsen van andere auto’s (een lange oprit telt hierdoor slechts als 1 plaats, zoals dat bij de hoekwoningen het geval is). 8 van de 10 parkeerplaatsen op eigen terrein tellen mee. 36 parkeerplaatsen worden in de openbare ruimte gerealiseerd. Met een totaal van 44 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm.

4.7 Niet-gesprongen explosieven

Het gehele gebied is verdacht op basis van geschutsmunitie (verschoten). Aangezien het gebied in het verleden nooit bebouwd of geroerd is geweest en met de voorgenomen werkzaamheden wel grondroerende werkzaamheden te verwachten zijn, is een Projectgebonden Risicoanalyse uitgevoerd. Na het uitvoeren van een passieve non-realtime oppervlaktedetectie en interpretatie van de verkregen gegevens blijkt dat er zich in het gedetecteerde gebied diverse significante verstoringen bevinden welke duiden op mogelijk aanwezige conventionele explosieven (CE). De geselecteerde significante verstoringen zijn in de vorm van een objectenlijst opgenomen in de rapportage (zie Bijlage 7). Om daadwerkelijk vast te stellen of de gemeten verstoringen inderdaad CE betreffen zullen deze verstoringen uitgezet en benaderd dienen te worden.

Bodac heeft inmiddels een onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijke CE uitgevoerd, bestaande uit het lokaliseren, benaderen, identificeren en indien mogelijk verwijderen, tijdelijk veiligstellen en overdragen aan de EOD. De doelstelling van de opsporingswerkzaamheden is het creëren van een veilig te bewerken terrein voor de civiele aannemer en toekomstige gebruikers.

Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn geen soorten van CE aangetroffen. Er is alleen schroot en oud ijzer uit de bodem gehaald tijdens de onderzoekwerkzaamheden.

 

4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moeten de milieueffecten van activiteiten die worden genoemd in de bijlage C of D van dat besluit beoordeeld worden, voordat het bevoegd gezag een besluit neemt of een plan vaststelt.

Het plan betreft een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, als activitieit opgenomen in onderdeel D (D11.2). Het betreft een toename van het bebouwd oppervlak, aangezien het perceel aan de rand van de bebouwde kom straks een woonbestemming voor 23 woningen krijgt. Deze ontwikkeling blijft onder de gestelde drempelwaarde van 2000 woningen. Ook als de richtwaarden uit onderdeel D van het besluit niet worden overschreden moet het bevoegd gezag zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Dit volgt uit artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, waarin staat dat de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag moet melden dat hij een dergelijke activiiteit gaat ontplooien (de m.e.r.-aanmeldnotitie). De toetsing is vormvrij, maar aan de inhoud worden wel eisen gesteld. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op:

  • De kenmerken van het project;
  • De plaats van het project;
  • De kenmerken van mogelijke gevolgen.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld;
  • 2. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn niet uitgesloten. Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.

 

M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming

Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Met het opstellen van een plan mogen de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de soortenhabitats niet verslechteren. Het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Indien dat niet kan worden uitgesloten, is een plan m.e.r.-plichtig.

 

Planspecifiek

Het bestemmingsplan maakt 23 woningen mogelijk. Deze ontwikkeling valt onder een activiteit opgenomen in bijlage II van het Besluit m.e.r. In deze bijlage zijn ook drempelwaarden opgenomen. De activiteit blijft qua omvang en oppervlakte ver onder de drempelwaarden. Ook gelet op de ligging van het plangebied worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Om de milieugevolgen ten gevolge van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. Deze milieugevolgen zijn ook in samenhang met andere activiteiten in de omgeving bekeken (cumulatie). De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk.

 

Conclusie

De conclusie is dat geen milieueffectrapportage behoeft te worden opgesteld gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het plangebied is gelegen en het gebied waarop het effect zou kunnen hebben.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling in deze paragraaf dient als aanmeldnotitie op grond waarvan de gemeente Zaltbommel een m.e.r.-beoordelingsbesluit dient te nemen.

4.7 Niet-gesprongen explosieven

Het gehele gebied is verdacht op basis van geschutsmunitie (verschoten). Aangezien het gebied in het verleden nooit bebouwd of geroerd is geweest en met de voorgenomen werkzaamheden wel grondroerende werkzaamheden te verwachten zijn, is een Projectgebonden Risicoanalyse uitgevoerd. Na het uitvoeren van een passieve non-realtime oppervlaktedetectie en interpretatie van de verkregen gegevens blijkt dat er zich in het gedetecteerde gebied diverse significante verstoringen bevinden welke duiden op mogelijk aanwezige conventionele explosieven (CE). De geselecteerde significante verstoringen zijn in de vorm van een objectenlijst opgenomen in de rapportage (zie Bijlage 7). Om daadwerkelijk vast te stellen of de gemeten verstoringen inderdaad CE betreffen zullen deze verstoringen uitgezet en benaderd dienen te worden.

Bodac heeft opdracht gekregen voor het verwijderen van de significante verstoringen. Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn geen soorten van CE aangetroffen. Er is alleen schroot en oud ijzer uit de bodem gehaald tijdens de onderzoekwerkzaamheden. Middels proces verbaal van oplevering (zie Bijlage 7) geeft Bodac B.V. de gebieden vrij voor alle aankomende grondroerende werkzaamheden. Bodac B.V. heeft het bevoegde gezag op de hoogte gesteld van deze bevindingen.

Conclusie

Het aspect niet-gesprongen explosiecen is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in het tot 4,5m -mv vrijgegeven gebied.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.


Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

5.1.1 beoordeling

Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.
Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Derhalve dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderzins is verzekerd. De gemeente Zaltbommel sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin ook de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd.

5.1.2 Conclusie

De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.

Inspraak

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van de inspraak.


Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.

Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingsplan zal 6 weken ter visie worden gelegd, zodat eenieder in de gelegenheid is om een zienswijze in te dienen. Eventuele zienswijzen zullen worden betrokken in het planproces.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Plansystematiek

Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels
Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 7. Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 8 tot en met 13). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 14 en 15).

De planregels zijn opgedeeld in:

  • 1. de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt;
  • 2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken;
  • 3. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden en
  • 4. het afwijken van de gebruiksregels.

6.2 Bestemmingen

Groen

Het groen aan de oostzijde van het plangebied is bestemd als Groen. Het is niet zozeer een landschappelijk inpassing maar wel bepalend voor de uitstraling van het totale plan. Een open grasveld met enkele (fruit)bomen het uitgangspunt. De weg die door de groene zone heen loopt is ondergeschikt hieraan.

Met het oog op de flexibiliteit zijn binnen de bestemming Groen parkeervoorzieningen toegestaan, maar verharding wordt, met het oog op het behoud van structureel groen, in principe zoveel mogelijk geweerd.

Verkeer - Verblijfsgebied
Binnen het plangebied wordt een nieuwe openbare weg gerealiseerd. Dit gedeelte is ten behoeve van de verkeersfunctie alsmede verblijfsfunctie bestemd. De regels hiervoor staan in artikel 4.Binnen deze bestemming zijn onderandere ook speelterreinen mogelijk en beeldende kunstwerken.

De regels Wonen hebben betrekking op de nieuwe woningen. De planregels van Wonen zijn afgestemd op de regels uit de beheersverordening.

Waarde - Archeologie 2

Omdat uit het verkennend archeologisch onderzoek is gebleken dat aanvullend proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd hanteert dit bestemmingsplan voor het hele plangebied de bestemming Waarde - Archeologie 2. Voor het plangebied betekent dit dat uitsluitend bouwwerken moegen worden opgericht die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Voor nieuwe bouwwerken ten behoeve van andere bestemmingen geldt dat deze zijn toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 of als deze zonder graaf- of heiwerkzaamheden worden geplaatst. Naast bouwregels is in deze bestemming een aanlegvergunningstelsel opgenomen met een regeling voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als grondbewerkingen, wijziging van waterlopen en waterpeil en aanleg van leidingen met een omvang groter dan 100m2.