Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Zaltbommel, Binnenstad
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0297.ZBMBP20130019-OW01

Regels

1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
    
1.1 plan:
het bestemmingsplan Zaltbommel, Binnenstad  van de Gemeente Zaltbommel  

1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0297.ZBMBP20130019-OW01 met de bijbehorende regels.
 
1.3 aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten
het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke -geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning en/of de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend.
  
1.4 aan huis verbonden beroep
het in een woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie van de betreffende woning.
  
1.5 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.6 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.7 achtererfgebied:
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.8 archeologische waarde:
terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

1.9 ambachtelijke bedrijvigheid:
het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen en het installeren van goederen die verband houden met het ambacht.
 
1.10 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.11 bebouwingspercentage:
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden.
 
1.12 bed en breakfast:
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie.

1.13 bedrijf
een onderneming waarin doorgaans met economisch oogmerk goederen worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt en/of opgeslagen.

1.14 bedrijfswoning/dienstwoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.
 
1.15 beeldkwaliteit:
beeldkwaliteit is het samenstel van de beoordeling van:
  1. de plaats van de bebouwing in het verleden en nu;
  2. de maten en verhoudingen van de gebouwen in het verleden en nu;
  3. het ritme of patroon van de bebouwing langs de weg in het verleden en nu;
  4. de beplanting langs de openbare weg en op particuliere gronden;
  5. het materiaalgebruik voor de bebouwing en de straat;
  6. kenmerkende objecten zoals een molen, kerk, bos, houtwal, kunst e.d.;
  7. staat van verzorging, detaillering en onderhoud van gebouwen, weg- en bermonderhoud, verlichting e.d. 
1.16 bestaande situatie (bebouwing en gebruik):
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een verleende bouwvergunning en/of omgevingsvergunning;
 
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en ook aanwezig mocht zijn op grond van het voorafgaande planologische regime.
 
1.17 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.18 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.19 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.20 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.21 bouwhistorisch onderzoek:
in een schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouw-, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis en bouwhistorische kwaliteit van een monument in de vorm van een bouwhistorische inventarisatie, -verkenning, -opname of -ontleding.

1.22 bouwhistorische waarde:
de waardering van een monumentaal of karakteristiek gebouw of bouwwerk zoals vastgesteld in een bouwhistorisch onderzoek.

1.23 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, souterrain, dakopbouw en/of zolder.
 
1.24 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.25 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
 
1.26 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.27 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.28 cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk, een werk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dan wel de beeldkwaliteit welke is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk, dat werk of dat gebied.

1.29 dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
1.30 dakopbouw:
een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 m tot de voorgevel.
 
1.31 dakterras:
buitenruimte gelegen boven de goothoogte of boeiboordhoogte van een (deel van een) gebouw,
 
1.32 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit niet zijnde horeca.
 
1.33 dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.
 
1.34 evenement
periodieke en/of incidentele manifestaties zoals buurtfeesten, sportmanifestaties, bijeenkomsten, (straat)voorstellingen, herdenkingsplechtigheden, braderie, een optocht niet zijnde een betoging in of op de daartoe bestemde gebouwen en terreinen te onderscheiden in de onderstaande categorieën:   
  • evenement categorie 1: een evenement met al of niet versterkte muziek met een geluidsniveau tot maximaal 70 dB(A) overdag tot 21.00 uur 's avonds;
  • evenement categorie 2: een evenement met al of niet versterkte muziek met een geluidsniveau van 70 dB(A) tot maximaal 85 dB(A).

1.35 functie-ondersteunende horeca:
bij een andere hoofdfunctie dan horeca behorende, daaraan ondergeschikte (maximaal 20% van het netto-vloeroppervlak) en niet-zelfstandige horeca in de horecacategorie als omschreven onder "horecabedrijf categorieën 1 en 2" en waarbij de openingstijden gekoppeld zijn aan de openingstijden van de hoofdfunctie, zonder aparte toegang en niet fysiek gescheiden van de hoofdfunctie.

1.36 galerie:
ruimte voor het exposeren en verkopen van kunstwerken.

1.37 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.38 gedeeltelijke slopen:
het afbreken van een deel van een bestaand bouwwerk waarbij een gedeelte van het betreffende bouwwerk in stand blijft.

1.39 gezinshuis
een woongelegenheid voor begeleid wonen alsmede voor crisisopvang.

1.40 hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht.
 
1.41 horeca:
een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het verstrekken van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodaties.

1.42 loggia
een buitenruimte welke zich bevindt binnen het gevelvlak van het hoofdgebouw;

1.43 huishouden:
onder een huishouden wordt verstaan een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren.

1.44 jachthaven
water met de daarbij behorende grond, waarbij overwegend gelegenheid wordt gegeven tot het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen.

1.45 kantoor:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
 
1.46 kap of dakschild:
de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel een hellend dak met een hellingsvlak van ten minste 40° en ten hoogste 60°, tenzij in de regels anders is bepaald.
 
1.47 kappenkaart:
de in de bijlage opgenomen kappenkaart waarop de toelaatbare verschijningsvorm van de kappen is weergegeven.

1.48 kleinschalige voorziening in de toeristisch- recreatieve sector:
een voorziening met een toeristisch/recreatief karakter welk naar aard en verschijningsvorm goed inpasbaar is in de directe (woon-)omgeving.

1.49 maatschappelijke voorzieningen:
voorzieningen en diensten in de medische, sociale, educatieve, religieuze, culturele en administratieve sfeer en andere vormen van dienstverlening, die een min of meer openbaar karakter hebben.
 
1.50 nok:
het snijpunt van twee hellende vlakken.
 
1.51 omkeerbaar:
een (bouwkundige) ingreep welke zo wordt uitgevoerd dat bij het terugbrengen in de oude staat deze (bouwkundige) ingreep niet of nagenoeg niet waarneembaar is;

1.52 ondergeschikt bouwdeel:
een buiten de gevel of de dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een gebouw, zoals een liftopbouw, reclame-uitingen, technische installaties zoals een koelmotor of antenne, een dakvenster, een balkon, een luifel, een galerij, schoorsteen en een bloemenvenster, met uitzondering van een erker c.q. een uitgebouwd gedeelte van een gebouw (ter uitbreiding van het grondoppervlak op de begane grond).
  
1.53 parcellering
de indeling van de straatwand, bepaald door de breedte van de individuele panden.
 
1.54 productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces.
 
1.55 prostitutie:
het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander.
 
1.56 publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis:
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.
 
1.57 publiekverzorgend ambacht:
een ambachtelijk c.q. dienstverlenend bedrijf dat zijn goederen en diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een goudsmid, schoenmaker, kapper en dergelijke.
 
1.58 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
1.59 Staat van bedrijfsactiviteiten
de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt.

1.60 Staat van horeca-activiteiten:
de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt.

1.61 stadskwekerij:
een bedrijf, deels grondgebonden, deels niet-grondgebonden, gericht op het kweken en verkopen van planten en bloemen en overige tuingerelateerde artikelen.

1.62 terras:
een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt en waarvoor een terrasvergunning is afgegeven.

1.63 wonen
woondoeleinden in de vorm van woningen en bijzondere woonvoorzieningen al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.64 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, woonwagens uitgezonderd.
 
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
  
2.1 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  
2.2 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  
2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  
2.4 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  
2.5 afstand tot de bouwperceelsgrens
tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
  
2.6 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;
  
2.7 peil
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse
 
2.8 ondergeschikte bouwdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
  
2 Bestemmingsregels
  
Artikel 3 Bedrijf
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
3.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
Begane grond en kelder 
  1. bedrijven;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' tevens voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan;
  3. met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, e.d.. 
Tweede en hogere bouwlagen
op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan.

3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
3.1.2.1 Bedrijfscategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst. 

3.1.2.2 Verkoop
Verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen is toegestaan.
 
3.1.2.3 Webwinkel
Gebruik van ruimten ten behoeve van een webwinkel wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover de volgende bepalingen in acht worden genomen: 
  1. De hoofdfunctie moet over tenminste 70 % van de totale inhoud van de gebouwen op het betreffende bouwperceel gehandhaafd blijven;
  2. Uitstalling, bezichtigen en buitenopslag van goederen is niet toegestaan;
  3. Opslag en verkoop van gevaarlijke stoffen e.d. zijn niet toegestaan;
  4. De levering van de goederen mogen niet leiden tot onveilige verkeerssituaties;
  5. Reclame uitingen zijn niet toegestaan
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

3.2.2 Hoofdgebouwen
Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
3.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;  
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
 
3.2.5 Dakterrassen
Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
  2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie. 
3.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de sociale veiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels
 
3.4.1 Bedrijfscategorie
  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1.2.1 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten in ten hoogste categorie 3, mits dit bedrijf, gezien zijn specifieke bedrijfsvoering of te treffen maatregelen, goed inpasbaar is in de (directe) omgeving;
  2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1.2.1 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten, die naar de aard en de invloed op de omgeving, gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de aangegeven categorieën van de bij deze bestemmingsregels als bijlage behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits het geen geluidszoneringplichtige inrichtingen en inrichtingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen betreft;
  3. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1.2.1 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorziening
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ aangewezen gronden zijn bestemd voor nutsvoorzieningen met bijbehorende voorzieningen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

4.2.2 Hoofdgebouwen
Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
 
4.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de sociale veiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 5 Centrum - 1
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
5.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum -1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
Begane grond en kelder
  1. detailhandel;
  2. dienstverlening;
  3. kantoren, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van centrum - kantoor op verdieping' tevens een kantoor op de bovenliggende bouwlaag is toegestaan;
  4. horeca met in acht name van het bepaalde in artikel 5 lid 1.2.1;
  5. maatschappelijke voorzieningen;
  6. publiekverzorgend ambachten;
  7. functie-ondersteunende horeca;
  8. galeries; 
  9. bedrijven met in acht name van het bepaalde in artikel 5 lid 1.2.2
  10. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' tevens voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan;
  11. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' alsmede voor garageboxen;
  12. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
Tweede en hogere bouwlagen
op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan.

5.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
5.1.2.1 Horecacategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan horecabedrijven in categorieën 1 en 2 dan wel een hogere horecacategorie zoals aangeduid op de verbeelding.

5.1.2.2 Bedrijfscategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst.
 
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

5.2.2 Hoofdgebouwen
Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
5.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 meter en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
 
5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
 
5.2.5 Dakterrassen
Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
  2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
5.2.6 Garageboxen
Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
  1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
 
5.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de sociale veiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
5.4 Specifieke gebruiksregels
 
5.4.1 Situering publieksontsluiting
De publieksontsluiting van panden dient gericht te zijn naar het 'assenkruis' zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de regels.

5.4.2 Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
  1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
  2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
  3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
5.5.1 Bedrijfscategorie
  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 1.2.2 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten in ten hoogste categorie 3, mits dit bedrijf, gezien zijn specifieke bedrijfsvoering of te treffen maatregelen, goed inpasbaar is in de (directe) omgeving;
  2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 1.2.2 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten, die naar de aard en de invloed op de omgeving, gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de aangegeven categorieën van de bij deze bestemmingsregels als bijlage behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits het geen geluidszoneringplichtige inrichtingen en inrichtingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen betreft;
  3. Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van het bepaalde in artikel 5 lid 1.2.2 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
5.5.2 Aan huis verbonden bedrijf
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 1.1 sub j , ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten indien:
  1. het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
  2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
  3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
  4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
  5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps-en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
  6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    1. het parkeren ten behoeve van de beroeps-en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
    2. behoudens in-en uitladen, geen beroeps-en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
    3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
 
5.6 Wijzigingsbevoegdheid
 
5.6.1 Verwijderen functieaanduiding
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen voor zover dit betrekking heeft op het verwijderen van de functieaanduiding als bedoeld in artikel 5 lid 1.1 sub j mits het betreffende gebruik ter plaatse is beëindigd.
Artikel 6 Centrum - 2
6.1 Bestemmingsomschrijving
 
6.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum -2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
Begane grond en kelder
  1. detailhandel, met daarbij behorende functie ondersteunende horeca;
  2. horeca;
  3. galeries;  
  4. ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening' tevens voor dienstverlening;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van centrum - 2' tevens voor maatschappelijk voorzieningen, horeca in de categorie 3, detailhandel uitsluitend op de begane grond, een toeristisch informatiepunt, ontmoetings- en vergaderlocatie met daaraan ondergeschikte en gelieerde horeca-activiteiten, woondoeleinden en een inpandige nutsvoorziening; 
  6. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' tevens voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' tevens voor een nutsvoorziening;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' uitsluitend voor garageboxen;
  9. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'bordes' tevens voor een bordes;
  10. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
Tweede en hogere bouwlagen
  1. op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van centrum - 2' tevens voor maatschappelijk voorzieningen, ontmoetings- en vergaderlocatie met daaraan ondergeschikte en gelieerde horeca-activiteiten.
     
6.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
6.1.2.1 Horecacategorieën
Horecabedrijven zijn toegestaan in categorieën 1, 2, en 3 dan wel een hogere horecacategorie zoals aangeduid op de verbeelding. 
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

6.2.2 Hoofdgebouwen
Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
6.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
 
6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;  
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 meter hoog zijn.
 
6.2.5 Dakterrassen
Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
  2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
6.2.6 Garageboxen
Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
  1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
 
6.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de sociale veiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
6.4 Specifieke gebruiksregels
 
6.4.1 Situering publieksontsluiting
De publieksontsluiting van panden dient gericht te zijn naar het 'assenkruis' zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de regels.

6.4.2 Gebruik van kelders
Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

6.4.3 Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
  1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
  2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
  3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
6.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
6.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 1.1 sub g, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten indien:
  1. het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
  2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
  3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
  4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
  5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
  6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
    2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
    3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
 
6.6 Wijzigingsbevoegdheid
 
6.6.1 Verwijderen functieaanduiding
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen voor zover dit betrekking heeft op het verwijderen van de functieaanduiding als bedoeld in artikel 6 lid 1.1 sub d en artikel 6 lid 1.1 sub e, mits de betreffende functie ter plaatse is beëindigd.

6.6.2 Nachthoreca
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen ten einde horeca toe te staan in horecacategorieën 4a en 5 mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt. 
 
Artikel 7 Centrum - 3
7.1 Bestemmingsomschrijving
 
7.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum -3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
Begane grond en kelder
  1. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis; 
  2. maatschappelijke voorzieningen;
  3. kantoren;
  4. dienstverlening;
  5. publiekverzorgend ambacht;
  6. galeries;
  7. horeca met in achtname van het bepaalde in artikel 7 lid 1.2.1;
  8. bedrijven met in achtname van het bepaalde in artikel 7 lid 1.2.2;
  9. functie-ondersteunende horeca;
  10. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' alsmede voor detailhandel;
  11. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
Tweede en hogere bouwlagen
op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan.

7.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
7.1.2.1 Horecacategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan horecabedrijven in categorieën 1 en 2 dan wel een hogere horecacategorie zoals aangeduid op de verbeelding.

7.1.2.2 Bedrijfscategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst.
 
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

7.2.2 Hoofdgebouwen
Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
7.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
 
7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
 
7.2.5 Dakterrassen
Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
  2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
7.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de sociale veiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
7.4 Specifieke gebruiksregels
 
7.4.1 Situering publieksontsluiting
De publieksontsluiting van panden dient gericht te zijn naar het 'assenkruis' zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de regels.

7.4.2 Gebruik van kelders
Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

7.4.3 Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
  1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
  2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
  3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
7.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
7.5.1 Bedrijfscategorie
  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 1.2.2 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten in ten hoogste categorie 3, mits dit bedrijf, gezien zijn specifieke bedrijfsvoering of te treffen maatregelen, goed inpasbaar is in de (directe) omgeving;
  2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 1.2.2 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten, die naar de aard en de invloed op de omgeving, gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de aangegeven categorieën van de bij deze bestemmingsregels als bijlage behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits het geen geluidszoneringplichtige inrichtingen en inrichtingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen betreft;
  3. Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van het bepaalde in artikel 7 lid 1.2.2 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
7.5.2 Horecacategorie
  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 1.2.1 en toestaan, dat horecabedrijven worden toegelaten in ten hoogste categorie 2, mits dit horecabedrijf goed inpasbaar is in de (directe) omgeving;
7.5.3 Aan huis verbonden bedrijf
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 1.1 sub a, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten indien:
  1. het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
  2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
  3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
  4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
  5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
  6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
    2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
    3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
 
7.6 Wijzigingsbevoegdheid
 
7.6.1 Verwijderen functieaanduiding
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen voor zover dit betrekking heeft op het verwijderen van een functieaanduiding als bedoeld in artikel 7 lid 1.1 sub gartikel 7 lid 1.1 sub hartikel 7 lid 1.1 sub i en artikel 7 lid 1.1 sub j mits de betreffende functie ter plaatse is beëindigd.
Artikel 8 Centrum - 4
8.1 Bestemmingsomschrijving
 
8.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor 'Centrum -4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
Begane grond en kelder
  1. detailhandel;
  2. dienstverlening;
  3. horeca met in acht name van het bepaalde in artikel 8 lid 1.2.1;
  4. maatschappelijke voorzieningen;
  5. publiekverzorgend ambachten;
  6. functie-ondersteunende horeca;
  7. galeries; 
  8. bedrijven met in acht name van het bepaalde in artikel 8 lid 1.2.2
  9. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis;
  10. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' alsmede voor garageboxen;
  11. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
Tweede en hogere bouwlagen
op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan.

8.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
8.1.2.1 Horecacategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan horecabedrijven in categorieën 1 en 2 dan wel een hogere horecacategorie zoals aangeduid op de verbeelding.

8.1.2.2 Bedrijfscategorieën
Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst.
 
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

8.2.2 Hoofdgebouwen
Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
8.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
  3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 meter en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
 
8.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
 
8.2.5 Dakterrassen
Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
  2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
8.2.6 Garageboxen
Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
  1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
 
8.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de sociale veiligheid;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
8.4 Specifieke gebruiksregels
 
8.4.1 Situering publieksontsluiting
De publieksontsluiting van panden dient gericht te zijn naar het 'assenkruis' zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de regels.

8.4.2 Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
  1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
  2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
  3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
8.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
8.5.1 Bedrijfscategorie
  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 1.2.2 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten in ten hoogste categorie 3, mits dit bedrijf, gezien zijn specifieke bedrijfsvoering of te treffen maatregelen, goed inpasbaar is in de (directe) omgeving;
  2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 1.2.2 en toestaan, dat bedrijven worden toegelaten, die naar de aard en de invloed op de omgeving, gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de aangegeven categorieën van de bij deze bestemmingsregels als bijlage behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits het geen geluidszoneringplichtige inrichtingen en inrichtingen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen betreft;
  3. Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van het bepaalde in artikel 8 lid 1.2.2 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
8.5.2 Aan huis verbonden bedrijf
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 1.1 sub i , ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten indien:
  1. het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
  2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
  3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
  4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
  5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps-en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
  6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
    1. het parkeren ten behoeve van de beroeps-en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
    2. behoudens in-en uitladen, geen beroeps-en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
    3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
 
Artikel 9 Cultuur en ontspanning
9.1 Bestemmingsomschrijving
 
9.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
  1. het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak en ontspanning, waaronder begrepen musea en toeristische attracties en/of, podiumkunsten en bioscopen en/of, muziek- en dansscholen en/of, oefenruimten en creativiteitscentra;
  2. functie-ondersteunende horeca;
  3. verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit van goederen welke een directe relatie kennen met de bedrijfsmatige activiteiten en/of tentoongestelde goederen; 
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - zalenverhuur' tevens voor zalenverhuur ten behoeve van (trouw-)feesten, partijen en bedrijfsbijeenkomsten;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' tevens voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaand woningen zijn toegestaan;  
  • aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
  • 9.2 Bouwregels
    9.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    9.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    9.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    9.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    9.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    9.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    9.4 Specifieke gebruiksregels
     
    9.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    9.4.2 Aan huis verbonden beroep
    De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
    1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
    2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
    3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
    9.5 Afwijken van de gebruiksregels
     
    9.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 1.1 sub e , ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten indien:
    1. het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
    2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
    3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
    4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
    5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
    6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
      1. het parkeren ten behoeve van de beroeps-en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
      2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps-en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
      3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
     
    Artikel 10 Detailhandel
    10.1 Bestemmingsomschrijving
     
    10.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
     
    Begane grond en kelder
    1. detailhandel;
    2. functie-ondersteunende horeca;
    3. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    Tweede en hogere bouwlagen
    op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan.
    10.2 Bouwregels
    10.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    10.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    10.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    10.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    10.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    10.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    10.4 Specifieke gebruiksregels
     
    10.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).
    Artikel 11 Dienstverlening
    11.1 Bestemmingsomschrijving
     
    11.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Dienstverlening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
     
    Begane grond en kelder
    1. dienstverlening;
    2. functie-ondersteunende horeca;
    3. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    Tweede en hogere bouwlagen
    op de tweede en hogere bouwlagen voor wonen, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan.
    11.2 Bouwregels
    11.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    11.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    11.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    11.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    11.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    11.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    11.4 Specifieke gebruiksregels
     
    11.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).
    Artikel 12 Erf
    12.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor 'erf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. tuinen en erven behorende bij en ten dienste van de aanliggende bestemming;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' uitsluitend voor garageboxen;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'evenementen' tevens voor evenementen;
    4. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.
    12.2 Bouwregels
    12.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van de aanliggende bestemming.

    12.2.2 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot het hoofdgebouw, dan wel aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet minder bedraagt dan 2,5 m;
    4. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak;
    5. de diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m, dan wel de bestaande diepte indien meer.
     
    12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    12.2.4 Garageboxen
    Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
    1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
    2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
     
    12.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    12.4 Afwijken van de gebruiksregels
    12.4.1 Dakterrassen
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12 lid 2.2, ten behoeve van dakterrassen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    12.4.2 Diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12 lid 2.2 sub e, ten behoeve het toestaan van aangebouwde bijbehorende bouwwerken met een grotere diepte dan 3 m mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de maximale diepte niet meer bedraagt van 6 m;
    2. de openheid in relatie tot de cultuurhistorische waarden niet onevenredig wordt aangetast;
    3. .
    Artikel 13 Gemengd - 1
    13.1 Bestemmingsomschrijving
     
    13.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. maatschappelijke voorzieningen;
    2. bedrijven met in achtname van het bepaalde in artikel 13 lid 1.2.2;
    3. horeca tot maximaal 30% van het bruto vloeroppervlak met in achtname van het bepaalde in artikel 13 lid 1.2.1;
    4. het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak en ontspanning, waaronder begrepen musea en toeristische attracties en/of, podiumkunsten en bioscopen en/of, muziek- en dansscholen en/of, oefenruimten en creativiteitscentra;  
    5. dienstverlening;
    6. detailhandel;
    7. functie-ondersteunende horeca;
    8. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' tevens voor een nutsvoorziening;
    9. ter plaatse van de aanduiding 'evenementen' tevens voor evenementen met in acht name van het bepaalde in artikel 13 lid 1.2.3
    10. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    13.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
    13.1.2.1 Horecacategorieën
    Uitsluitend zijn toegestaan horecabedrijven in categorieën 1, 2 en 3. 

    13.1.2.2 Bedrijfscategorieën
    Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst.
     
    13.1.2.3 Evenementen
    Uitsluitend zijn toegestaan evenementen in de categorieën 1.
    Waarbij aanvullend geldt dat evenmenten in de categorieën 2 eveneens zijn toegestaan met in achtname van het bepaalde in de onderstaande tabel:
    Locatie maximaal aantal evenementen per jaar
    Markt e.o. 12
    Waalkade e.o. 6
    Kindertuin 6

    13.2 Bouwregels
    13.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.
    13.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    13.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    13.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - stadsmuur' mogen muren worden opgebouwd tot een maximale hoogte van 3 m.
     
    13.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    13.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    13.4 Specifieke gebruiksregels
    13.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    13.5 Wijzigingsbevoegdheid
    13.5.1 Horeca
    Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen ten einde horeca toe te staan in horecacategorie 6 mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid dan wel een passende parkeeroplossing;
    2. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt. 
     
    Artikel 14 Gemengd - 2
    14.1 Bestemmingsomschrijving
     
    14.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. maatschappelijke voorzieningen;
    2. dienstverlening;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' tevens voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan;
    4. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    14.2 Bouwregels
    14.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    14.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    14.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    14.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    14.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    14.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    14.4 Specifieke gebruiksregels
    14.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).
    Artikel 15 Gemengd - 3
    15.1 Bestemmingsomschrijving
     
    15.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Gemengd - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. maatschappelijke voorzieningen;
    2. dienstverlening;
    3. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij maximaal 2 woningen zijn toegestaan;
    4. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies in de vorm van verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    15.2 Bouwregels
    15.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    15.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    15.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    15.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    15.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    15.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel;
    6. alsmede dat nadere eisen gesteld kunnen worden zoals bedoeld in artikel 33 lid 3.1.
    15.4 Specifieke gebruiksregels
    15.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).
    Artikel 16 Gemengd - 4
    16.1 Bestemmingsomschrijving
     
    16.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Gemengd - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. maatschappelijke voorzieningen;
    2. het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak en ontspanning, waaronder begrepen musea en toeristische attracties en/of, podiumkunsten en bioscopen en/of, muziek- en dansscholen en/of, oefenruimten en creativiteitscentra;  
    3. dienstverlening;
    4. functie-ondersteunende horeca;
    5. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    16.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
    16.1.2.1 Bedrijfscategorieën
    Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst.
     
    16.2 Bouwregels
    16.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    16.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    16.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    16.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    16.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    16.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    16.4 Specifieke gebruiksregels
    16.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).
    Artikel 17 Gemengd - 5
    17.1 Bestemmingsomschrijving
     
    17.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Gemengd - 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. bedrijven met in achtname van het bepaalde in artikel 17 lid 1.2.1;
    2. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaand woningen zijn toegestaan; 
    3. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    17.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
    17.1.2.1 Bedrijfscategorieën
    Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst.
     
    17.2 Bouwregels
    17.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    17.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    17.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    17.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - schoorsteen' is een schoorsteen toegestaan met een bouwhoogte van 23 m.
     
    17.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. dakterrassen uitsluitend zijn toegestaan op de eerste bouwlaag;
    2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie.
    17.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    17.4 Specifieke gebruiksregels
    17.4.1 Aan huis verbonden beroep
    De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
    1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
    2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
    3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
    17.4.2 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    17.5 Afwijken van de gebruiksregels
    17.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 1.1 sub b, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- of bedrijfsactiviteiten indien:
    1. het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
    2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
    3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
    4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
    5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
    6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
      1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
      2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
      3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
     
    Artikel 18 Groen
    18.1 Bestemmingsomschrijving
     
    18.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:  
    1. groenvoorzieningen;
    2. fiets en/of voetpaden;
    3. waterhuishoudkundige doeleinden; 
    4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - muziektent' tevens voor een muziektent; 
    5. ter plaatse van de aanduiding 'evenementen' tevens voor evenementen;  
    6. de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke en ecologische functies en voorzieningen en watersystemen;
    7. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals sportvoorzieningen, speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.
     
    18.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
    18.1.2.1 Evenementen
    Uitsluitend zijn toegestaan evenementen in de categorieën 1.
    Waarbij aanvullend geldt dat evenmenten in de categorieën 2 eveneens zijn toegestaan met in achtname van het bepaalde in de onderstaande tabel:
    Locatie maximaal aantal evenementen per jaar
    Markt e.o. 12
    Waalkade e.o. 6
    Kindertuin 6

    18.2 Bouwregels
    18.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:   
    1. de bouwhoogte van erfafscheidingen en (keer)muren bedraagt maximaal 1 m;
    2. de bouwhoogte voor lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
    3. de bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 m;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - stadsmuur', 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur' en 'specifieke bouwaanduiding - kapelmuur' mogen muren worden opgebouwd tot een maximale hoogte van respectievelijk 3 m, 3 m en 1,5 m;
      
    18.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. behoud van ecologische waarden;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de sociale veiligheid;
    4. de milieusituatie;
    5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
    18.4 Wijzigingsbevoegdheid
    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming Groen te wijzigingen in Groen - Stadskwekerij ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande stadskwekerij onder voorwaarde dat:
    1. de uitbreiding stedenbouwkundig en landschappelijk goed inpasbaar is;
    2. binnen het wijzigingsgebied of in de directe nabijheid voldoende parkeergelegenheid aanwezig is;
    3. met het wijzigingsplan extra bouwmogelijkheden tot maximaal 5o m2 mogen worden toegevoegd mits voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing; 
    4. de uitbreiding niet onevenredig afbreuk doet aan de waarden van het beschermd stadsgezicht;
    5. de uitbreiding milieutechnisch inpasbaar is dan wel dat de wijze van bedrijfsvoering inpasbaar is;
    6. voorzien is in de borging van gemeentelijke plankosten.
    Artikel 19 Groen - Stadskwekerij
    19.1 Bestemmingsomschrijving
     
    19.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Groen - Stadskwekerij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:  
    1. een stadskwekerij waarbij de bijbehorende detailhandel uitsluitend mag plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
    2. functie-ondersteunende horeca; 
    3. groenvoorzieningen;
    4. fiets en/of voetpaden;
    5. de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke en ecologische functies en voorzieningen en watersystemen;
    6. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.
     
    19.2 Bouwregels
    19.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    19.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak (m2)’ is ten hoogste het aangegeven bebouwd oppervlak toegestaan;
    5. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    19.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:   
    1. de bouwhoogte van erfafscheidingen en (keer)muren bedraagt maximaal 1 m;
    2. de bouwhoogte voor lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
    3. de bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 m.
      
    19.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. behoud van ecologische waarden;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de sociale veiligheid;
    4. de milieusituatie;
    5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
    Artikel 20 Horeca
    20.1 Bestemmingsomschrijving
     
    20.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. horeca met in achtname van het bepaalde in artikel 20 lid 1.2.1;
    2. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    20.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
    20.1.2.1 Horecacategorieën
    Uitsluitend zijn toegestaan horecabedrijven in de horecacategorie zoals deze op de verbeelding zijn aangeduid.

    20.2 Bouwregels
    20.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    20.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    20.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    20.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    20.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie;
    2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van cultuurhistorische waarden. 
    20.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    20.4 Specifieke gebruiksregels
     
    20.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).
    Artikel 21 Kantoor
    21.1 Bestemmingsomschrijving
     
    21.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. kantoren;
    2. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    21.2 Bouwregels
    21.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    21.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    21.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    21.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn.
     
    21.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie;
    2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van cultuurhistorische waarden. 
    21.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    21.4 Specifieke gebruiksregels
    21.4.1 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    Artikel 22 Maatschappelijk
    22.1 Bestemmingsomschrijving
     
    22.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
    1. maatschappelijke voorzieningen;
    2. functie-ondersteunende horeca; 
    3. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' tevens voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaand woningen zijn toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - gezinshuis' voor een gezinshuis;
    5. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' uitsluitend voor een begraafplaats; 
    6. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven.
    22.2 Bouwregels
    22.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    22.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’.
    22.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
     
    22.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - stadsmuur' mogen muren worden opgebouwd tot een maximale hoogte van 3 m.
     
    22.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie;
    2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van cultuurhistorische waarden. 
    22.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    22.4 Specifieke gebruiksregels
    22.4.1 Aan huis verbonden beroep
    De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
    1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
    2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
    3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
    22.4.2 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    22.5 Afwijken van de gebruiksregels
    22.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 1.1 sub c, ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsactiviteiten indien:
    1. het betreft bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
    2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
    3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
    4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
    5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
    6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
      1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
      2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
      3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
     
    Artikel 23 Tuin
    23.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. tuinen en erven behorende bij en ten dienste van de aanliggende bestemming;
    2. de instandhouding en ontwikkeling van het aanwezige groene karakter van (binnen)tuinen waarbij het oppervlakte aan verharding niet mag toenemen;
    3. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, bijbehorende bestaande verhardingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke.
    23.2 Bouwregels
    23.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van de aanliggende bestemming.

    23.2.2 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag voor maximaal het bestaande oppervlak worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte.
     
    23.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 3,00 m bedragen.
     
    23.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de afmeting en de plaats van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel.
    Artikel 24 Verkeer
    24.1 Bestemmingsomschrijving
     
    24.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. wegverkeer;
    2. openbaar vervoer;
    3. verblijfsgebied;
    4. terrassen; 
    5. standplaatsen;
    6. parkeervoorzieningen;
    7. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' tevens voor garageboxen;
    8. ter plaatse van de aanduiding 'evenementen' tevens voor evenementen;
    9. het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle stoepen;
    10. het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle waterpomp ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - pomp';
    11. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals openbare verblijfsvoorzieningen, fietsenstallingen, abri's, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en dergelijke.
    24.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
    24.1.2.1 Evenementen
    Uitsluitend zijn toegestaan evenementen in de categorieën 1.
    Waarbij aanvullend geldt dat evenmenten in de categorieën 2 eveneens zijn toegestaan met in achtname van het bepaalde in de onderstaande tabel:
     
    Locatie maximaal aantal evenementen per jaar
    Markt e.o. 12
    Waalkade e.o. 6
    Kindertuin 6
     
     
    24.2 Bouwregels
    24.2.1 Gebouwen
      
    24.2.1.1 Algemeen
    Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met dien verstande, dat de oppervlakte per gebouw niet meer dan 15 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen.

    24.2.1.2 Garageboxen
    Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
    1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
    2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
     
    24.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen;
    2. in afwijking van het gestelde onder sub a mogen ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - stadsmuur' en 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur'  muren worden opgebouwd tot een maximale hoogte van 3 m;
    3. in afwijking van het gestelde onder sub a mogen kunstwerken als viaducten en overkluizingen, kunstobjecten, verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 5 m hoog zijn.
    24.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van behoud en versterking van :
    1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de sociale veiligheid;
    4. de milieusituatie;
    5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

    Artikel 25 Water
    25.1 Bestemmingsomschrijving
     
    25.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging, waterlopen met bijbehorende taluds, bermen, groenvoorzieningen, voorland van vestingmuren, recreatieve voorzieningen, kunstwerken, bruggen en kademuren;
    2. de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke en ecologische functies en voorzieningen;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven' alsmede voor een jachthaven en een ligplaats voor een rondvaartboot;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - beeldende kunst' alsmede voor beeldende kunstuitingen;
    5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - bunkerschip' alsmede voor een bunkerschip ten behoeve van brandstofvoorziening voor de scheepvaart;
    6. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals openbare verblijfsvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, taluds, bermen, kunstwerken, oeverbeschoeiingen, kademuren en dergelijke.
    25.2 Bouwregels
    25.2.1 Gebouwen
    Op of in deze grond mag ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven' uitsluitend één havengebouw worden opgericht met een maximale oppervlakte van 50 m² en een goothoogte van maximaal 3 meter. 

    25.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 m, met uitzondering van kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, welke maximaal 5 m hoog mogen zijn.
     
    Artikel 26 Water - Waal
    26.1 Bestemmingsomschrijving
     
    26.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Water - Waal' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. rivieren, oeverstroken alsmede voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding met daarbij behorende taluds, bermen, groenvoorzieningen, voorland van vestingmuren, recreatieve voorzieningen, kunstwerken, bruggen en kademuren;
    2. de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke en ecologische functies en voorzieningen;
    3. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals openbare verblijfsvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, bijbehorende verhardingen, taluds, bermen, kunstwerken, oeverbeschoeiingen, kademuren en dergelijke.
    26.2 Bouwregels
    26.2.1 Gebouwen
    Op of in deze grond mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, zoals overkluizingen e.d. .
     
    26.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 m, met uitzondering van kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, welke maximaal 5 m hoog mogen zijn.
     
    Artikel 27 Wonen - 1
    27.1 Bestemmingsomschrijving
     
    27.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaand woningen zijn toegestaan;
    2. in afwijking van het bepaalde in artikel 27 lid 1.1 sub a is nieuwbouw van woningen toegestaan waarbij het aantal nieuw te bouwen woningen mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - culturele activiteiten' alsmede voor culturele en muzikale acitivteiten;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' tevens voor kantoren in combinatie met wonen;
    5. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' voor een (gebouwde) parkeervoorzieningen ;
    6. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' uitsluitend voor garageboxen;
    7. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, parkeren op eigen terrein, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven, terreinen en stegen.
    27.2 Bouwregels
    27.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    27.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
    7. balkons zijn toegestaan ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - balkon'.
    27.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
    27.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - stadsmuur' en 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur' mogen muren worden opgebouwd tot een maximale hoogte van 3 m.
    27.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie;
    2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van cultuurhistorische waarden;
    3. in afwijking van het bovenstaande zijn dakterrassen tevens toegestaan ter plaatse van de
      'specifieke bouwaanduiding - dakterras' met dien verstande dat er geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, die maximaal 1 m mogen bedragen, gemeten vanaf het dak van het dakterras.
    27.2.6 Garageboxen
    Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
    1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
    2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
     
    27.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen en de plaatsing van de bebouwing, de plaatsing van bijbehorende bouwwerken onderling en ten opzichte van de hoofdgebouwen, alsmede de hoogte en plaatsing van erfafscheidingen ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel;
    6. de noodzakelijke openheid en toegankelijkheid van binnenterreinen.
    27.4 Specifieke gebruiksregels
     
    27.4.1 Aan huis verbonden beroep
    De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
    1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
    2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
    3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
    27.4.2 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    27.5 Afwijken van de gebruiksregels
     
    27.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 27 lid 1.1 sub a, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- of bedrijfsactiviteiten indien:
    1. het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
    2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
    3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
    4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
    5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
    6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
      1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
      2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
      3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
     
    Artikel 28 Wonen - 2
    28.1 Bestemmingsomschrijving
     
    28.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving
    De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij uitsluitend bestaand woningen zijn toegestaan;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'kantoren' tevens voor kantoren in combinatie met wonen;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' uitsluitend voor garageboxen;
    4. aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies zoals verkeers- en groenvoorzieningen, parkeren op eigen terrein, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven, terreinen en stegen.
    28.2 Bouwregels
    28.2.1 Algemeen
    Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, die ten dienste staan van deze bestemming.

    28.2.2 Hoofdgebouwen
    Gebouwen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen:
    1. gebouwen mogen uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat de voorgevel van de hoofdgebouwen in de voorste begrenzing van het bouwvlak moet worden geplaatst;
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘goothoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven goothoogte toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwhoogte (m)’ is uitsluitend de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
    6. bouwen onder peil is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
    7. balkons zijn toegestaan ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - balkon'.
    28.2.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan op de aanliggende bestemmingen Tuin of Erf.

    28.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m;  
    2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van kunstobjecten en verlichting mag ten hoogste 3,00 m bedragen;
    3. kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting mogen maximaal 5 m hoog zijn;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur' mogen muren worden opgebouwd tot een maximale hoogte van 3 m. 
    28.2.5 Dakterrassen
    Voor dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,00 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie;
    2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van cultuurhistorische waarden;
    3. in afwijking van het bovenstaande zijn dakterrassen tevens toegestaan ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - dakterras' met dien verstande dat er geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, die maximaal 1 m mogen bedragen, gemeten vanaf het dak van het dakterras.
    28.2.6 Garageboxen
    Garageboxen dienen aan de volgende bepalingen te voldoen: 
    1. de garageboxen mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
    2. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen, dan wel de bouwhoogte zoals op de verbeelding aangeduid.
     
    28.2.7 Zone onbebouwd
    Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zone onbebouwd' zijn geen bouwwerken toegestaan.

    28.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen en de plaatsing van de bebouwing, de plaatsing van bijbehorende bouwwerken onderling en ten opzichte van de hoofdgebouwen, alsmede de hoogte en plaatsing van erfafscheidingen ten behoeve van behoud en versterking van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    5. de situering van het laden en lossen op het perceel;
    6. de noodzakelijke openheid en toegankelijkheid van binnenterreinen.
    28.4 Specifieke gebruiksregels
     
    28.4.1 Aan huis verbonden beroep
    De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, mits:
    1. de hiertoe benodigde vloeroppervlakte maximaal 30% van de vloeroppervlakte bedraagt met een maximum van 35 m2, zulks met inbegrip van bijbehorende bouwwerken;
    2. degene die de bedrijfsvoering van het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
    3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep.
    28.4.2 Gebruik van kelders
    Gebruik van de kelder dient ten dienste te staan en onderdeel te zijn van de functie van de begane grond en/of van de verdieping(en).

    28.5 Afwijken van de gebruiksregels
     
    28.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28 lid 1.1 sub a, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten indien:
    1. het betreft bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 2 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde bedrijvenlijst dan wel het betreft beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreft welke naar aard en verschijningsvorm hiermee vergelijkbaar zijn;
    2. niet in meerdere mate een blijvende onevenredige afbreuk ontstaat aan het woon- en leefmilieu;
    3. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
    4. de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep niet meer bedraagt dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de gebouwen op het betreffende bouwperceel, en in ieder geval niet meer bedraagt dan 50 m²;
    5. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt;
    6. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat:
      1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden, en
      2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten op het open erf en/of in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
      3. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het karakter van het gebied niet onevenredig aantasten.
     
    Artikel 29 Wonen - Uit te werken
     
    29.1 Bestemmingsomschrijving
     De voor 'Wonen - Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis;
    2. bijbehorende bouwwerken;
    met daaraan ondergeschikt:
    1. groenvoorzieningen;
    2. nutsvoorzieningen;
    3. speelvoorzieningen;
    4. parkeervoorzieningen;
    5. wegen, straten en paden;
    6. water;
    met de daarbijbehorende:
    1. tuinen en erven;
    2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
     
    29.2 Uitwerkingsregels
    Burgemeester en wethouders werken, overeenkomstig artikel 3.6. lid 1. sub b. van de Wet ruimtelijke ordening, de in artikel 29 lid 1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels: 
    1. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 9;
    2. de verkaveling en de situering van de gebouwen zal zodanig zijn, dat een goede aansluiting ontstaat op de structuur van de omgeving;
    3. er dient sprake te zijn van een goede cultuurhistorische, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing;
    4. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
     
    29.3 Bouwregels
     
    29.3.1 Voorlopig bouwverbod
    Voor het bouwen van bouwwerken geldt de volgende regel:
    1. zolang en voor zover de in artikel 29 lid 2 bedoelde uitwerking niet onherroepelijk is, mogen bouwwerken slechts worden gebouwd, mits:
      1. het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp-uitwerkingsplan, zoals deze ter inzage is gelegd.
    29.3.2 Hoofdgebouwen
    Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels:
    1. hoofdgebouwen worden gebouwd in een bouwvlak;
    2. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 6 en 8 meter.
    29.3.3 Bijbehorende bouwwerken
    Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    1. het erf mag, tenzij anders is aangegeven in de bestemming, voor maximaal 50% worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat het maximale gezamenlijke grondoppervlak van de aan - en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    2. de hoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 m; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 3,50 m, de hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 600 ten opzichte van het horizontale vlak;
    3. de hoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag; indien met hellende dakvlakken wordt gebouwd mag de goothoogte niet meer bedragen dan de begane grondlaag en hoogte niet meer dan 4,50 m en de dakhelling niet meer dan 60° ten opzichte van het horizontale vlak.
    29.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
    Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;
    2. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
    3. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.
    29.4 Afwijken van de bouwregels
    Bij de in artikel 29 lid 2 bedoelde uitwerking kunnen burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de bestemming en de uitwerkingsregels, afwijkingsregels opnemen ten aanzien van in het uitwerkingsplan opgenomen bouw- en gebruiksregels.

    Artikel 30 Waarde - Archeologie 1
    30.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor 'Waarde -  Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden van de gronden.
      
    30.2 Bouwregels
    30.2.1 Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk
    1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 30 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld én waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
    2. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
     
    30.2.2 Voorwaarden
    Indien uit het in artikel 30 lid 2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
     
    30.2.3 Bouwverbod
    Indien uit het in artikel 30 lid 2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 30 lid 2.2  genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan kan de vergunning worden geweigerd.
      
    30.3 Afwijken van de bouwregels
    Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 30 lid 2  en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
      
    30.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    30.4.1 Omgevingsvergunning
    Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    2. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    3. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
    4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    5. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    6. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    7. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    8. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    9. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter; waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt.
     
    30.4.2 Uitzonderingen
    1. Het in artikel 30 lid 4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
      1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
      2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
    2. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
     
    30.4.3 Toetsingscriteria
    De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden op grond van een bestemmingsplan, inpassingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit kan slechts worden verleend, indien door de in artikel 30 lid 4.1  genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
      
    30.4.4 Voorwaarden
    Voor zover de in artikel 30 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
     
    30.4.5 Onderzoeksplicht
    De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
     
    30.4.6 Beoordelingscriteria
    Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.
      
    30.5 Wijzigingsbevoegdheid
    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 'Waarde -  Archeologie 1' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
      
    Artikel 31 Waarde - Archeologie 2
    31.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden van de gronden.
      
    31.2 Bouwregels
    31.2.1 Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk
    1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld én waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
    2. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
     
    31.2.2 Voorwaarden
    Indien uit het in artikel 31 lid 2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
     
    31.2.3 Bouwverbod
    Indien uit het in artikel 31 lid 2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 31 lid 2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan kan de vergunning worden geweigerd.
      
    31.3 Afwijken van de bouwregels
    Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 31 lid 2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
      
    31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    31.4.1 Omgevingsvergunning
    Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    2. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    3. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
    4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    5. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    6. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    7. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    8. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    9. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter; waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt.
     
    31.4.2 Uitzonderingen
    1. Het in artikel 31 lid 4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
      1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
      2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
    2. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
     
    31.4.3 Toetsingscriteria
    De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden op grond van een bestemmingsplan, inpassingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit kan slechts worden verleend, indien door de in artikel 31 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
      
    31.4.4 Voorwaarden
    Voor zover de in artikel 31 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
     
    31.4.5 Onderzoeksplicht
    De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
     
    31.4.6 Beoordelingscriteria
    Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.
      
    31.5 Wijzigingsbevoegdheid
    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 
    'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
      
    Artikel 32 Waarde - Archeologie 3
    32.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden van de gronden.
      
    32.2 Bouwregels
    32.2.1 Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk
    1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld én waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
    2. Geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden geldt in het geval van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
    3. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
     
    32.2.2 Voorwaarden
    Indien uit het in artikel 32 lid 2.1  genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
     
    32.2.3 Bouwverbod
    Indien uit het in artikel 32 lid 2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid artikel 32 lid 2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan kan de vergunning worden geweigerd.
      
    32.3 Afwijken van de bouwregels
    Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 32 lid 2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
      
    32.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    32.4.1 Omgevingsvergunning
    Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    2. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    3. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
    4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem op een grotere diepte dan 30 cm wordt verstoord;
    5. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    6. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    7. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    8. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 centimeter;
    9. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter; waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt.
     
    32.4.2 Uitzonderingen
    1. Het in artikel 32 lid 4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
      1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
      2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
      1. het uitvoeren van werken (geen bouwwerken zijnde) en werkzaamheden binnen bouwvlakken betreft in de overige bestemmingen geldt geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden. Indien het bouwvlak overeenkomt met het bestemmingsvlak, geldt voor het gehele bestemmingsvlak geen onderzoeksplicht naar archeologische waarden.
    2. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
     
    32.4.3 Toetsingscriteria
    De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden op grond van een bestemmingsplan, inpassingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit kan slechts worden verleend, indien door de in artikel 32 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
      
    32.4.4 Voorwaarden
    Voor zover de in artikel 32 lid 4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
     
    32.4.5 Onderzoeksplicht
    De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin:
    1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
     
    32.4.6 Beoordelingscriteria
    Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.
      
    32.5 Wijzigingsbevoegdheid
    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
      
    Artikel 33 Waarde - Beschermd stadsgezicht
    33.1 Bestemmingsomschrijving
    1. De voor 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en zo mogelijk herstel van de ruimtelijke structuur en de cultuurhistorische waarden van Zaltbommel zoals omschreven in de in de bijlagen opgenomen bij het aanwijzingsbesluit d.d. 21 december 1984;
    2. De gronden waarop de dubbelbestemming rust mogen worden gebruikt volgens de gebruiksregels van de onderliggende bestemming, mits:
      1. het gebruik van de onderliggende bestemming niet in strijd is de hierna te gegeven gebruiksregels van de dubbelbestemming; en
      2. het gebruik van de onderliggende bestemming niet zodanig is dat daarmee de verwezenlijking van de dubbelbestemming of het gebruik van die dubbelbestemming in de toekomst onmogelijk wordt gemaakt, wordt bemoeilijkt of wordt beperkt.
    33.2 Bouwregels
    33.2.1 Bouwen volgens de dubbelbestemming
    Volgens de gebruiksregels, gegeven onder artikel 33 lid 1, mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die geen gebouwen zijn en die nodig zijn voor het behoud of het herstel van het beschermd stadsgezicht en voor het behoud of herstel van het cultuurhistorisch evenwicht daarin zoals gegeven met het beeldkwaliteitsplan voor het beschermd stadsgezicht.

    33.2.2 Bouwen volgens de onderliggende bestemming
    Op de gronden mogen bouwwerken worden gebouwd volgens de gebruiksregels van de onderliggende bestemming die op die gronden rust, mits het beschermd stadsgezicht en het cultuurhistorisch evenwicht voor het beschermd stadsgezicht, daarmee niet worden aangetast, alsmede met in achtname van het hierna bepaalde.

    33.2.2.1 Kappen
    1. van ieder hoofdgebouw zal de kapvorm dan wel de nokrichting in overeenstemming zijn met de op de kappenkaart aangegeven kapvorm of nokrichting, en voorzover geen kapvorm is voorgeschreven zal uitsluitend een zadeldak of een schilddak mogen worden toegepast;
    2. de dakhelling bedraagt niet minder dan 45 en niet meer dan 70 graden. bij een samengestelde kap dient de dakhelling van de bovenste dakvlakken minimaal 20 graden te bedragen.
       
    33.2.2.2 Samenvoeging van panden
    Samenvoeging van panden en doorbraken in zijgevels tussen panden is niet toegestaan; bestaande zijgevels dienen te worden gehandhaafd.

    33.2.2.3 Parcellering
    De bestaande parcellering en breedte van de hoofdgebouwen moet worden gehandhaafd.

    33.2.2.4 Balkons en erkers
    Balkons en erkers aan de voorgevel zijn uitsluitend toegestaan, ingeval en voor zover deze aanwezig zijn ten tijde van de in werkingtreding van het plan van het plan.
     
    33.2.2.5 Kelders
    Kelders zijn uitsluitend toegestaan voorzover deze aanwezig waren ten tijde van het inwerkingtreden van dit bestemmingsplan; bestaande kelders mogen niet worden gewijzigd.

    33.2.2.6 Loggia's
    Loggia's zijn uitsluitend toegestaan voorzover deze aanwezig waren ten tijde van het inwerkingtreden van dit bestemmingsplan; bestaande loggia's mogen niet worden gewijzigd.

    33.2.3 Advies omgevingsvergunning
    1. Alvorens omgevingsvergunning voor bouwen te verlenen voor het bouwen als bedoeld onder artikel 33 lid 2.1  of artikel 33 lid 2.2, kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel.
    2. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met het beeldkwaliteitsplan voor het beschermd stadsgezicht; en
      2. de inhoud, strekking en uitvoerbaarheid van de eventueel te stellen voorwaarden aan de omgevingsvergunning.
     
    33.3 Nadere eisen
    33.3.1 Nadere eisen bouwkundige veranderingen
    1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen aan de plaatsing, kapvorm, verschijningsvorm, materiaal gebruik, dakhellingen, lineaire afmetingen, oppervlaktematen en inhoudsmaten van de gebouwen die volgens de onderliggende bestemming zijn toegestaan, met als doel dat met die nadere eisen een zo goed mogelijke uitvoering van het bestemmingsplan wordt gewaarborgd met het oog op het behoud en het herstel van het beschermd stadsgezicht en het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch evenwicht daarin.
    2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen en de plaatsing van de bebouwing, de plaatsing van bijbehorende bouwwerken onderling en ten opzichte van de hoofdgebouwen, alsmede de hoogte en plaatsing van erfafscheidingen.  
    3. De nader geëiste afmetingen mogen niet meer dan 15% afwijken van de afmetingen die voor de gebouwen op grond van de onderliggende bestemming zijn voorgeschreven, dan wel van de bestaande situatie op het tijdstip waarop de nadere eisen van kracht worden.
    4. Alvorens nadere eisen te stellen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel.
    5. De nadere eisen kunnen slechts worden gesteld indien en nadat de onder artikel 33 lid 3.1 sub d genoemde commissie positief heeft geadviseerd.
    6. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder de vraag of door de nadere eisen het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder:
      1. de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermde stadsgezicht;
      2. de cultuurhistorische en archeologische waarde;
      3. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.
    33.4 Afwijken van de bouwregels
    33.4.1 Afwijken van de kapvorm
    Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 2.2.1 en toestaan dat de kapvorm wordt gewijzigd onder voorwaarden dat:
    1. de gewijzigde kapvorm geen onevenredig afbreuk doet aan het beschermd stadsgezicht;
    2. de gewijzigde kapvorm in uitstraling en materialisering aansluit bij de onliggende panden;
    3. schriftelijk advies gevraagd is aan de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel;
    4. de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien en nadat de onder artikel 33 lid 4.1 sub c genoemde commissie heeft geadviseerd. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met de waarden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1
    33.4.2 Samenvoegen van panden
    Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 2.2.2 en toestaan dat panden worden samengevoegd, waarbij wordt afgeweken van bestaande breedte van panden en doorbraken worden gemaakt in zijmuren onder voorwaarden dat:
    1. doorbraken alleen zijn toegestaan bij panden met de bestemming Centrum - 1 of Centrum - 2
    2. de doorbraak zo gerealiseerd wordt dat deze omkeerbaar is;
    3. de parcellering gehandhaafd blijft en de structuur van de panden zichtbaar blijft;
    4. schriftelijk advies gevraagd is aan de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel;
    5. de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien en nadat de onder artikel 33 lid 4.2 sub d genoemde commissie heeft geadviseerd. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met de waarden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1;
      2. de vraag of de doorbraak omkeerbaar is.
    33.4.3 Afwijken van de parcellering
    Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 2.2.3 en toestaan dat de parcellering van een pand wordt gewijzigd onder voorwaarden dat:
    1. de gewijzigde parcellering geen onevenredig afbreuk doet aan het beschermd stadsgezicht;
    2. de gewijzigde parcellering in uitstraling aansluit bij de onliggende panden;
    3. schriftelijk advies gevraagd is aan de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel;
    4. de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien en nadat de onder artikel 33 lid 4.3 sub c genoemde commissie heeft geadviseerd. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met de waarden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1.
    33.4.4 Toevoegen van een kelder
    Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 2.2.5 en toestaan dat een kelder onder een pand wordt toegevoegd onder voorwaarden dat:
    1. de kelder binnen het bouwvlak wordt gesitueerd;
    2. de maximale diepte van de kelder, gemeten vanaf peil, niet meer bedraagt dan 5 meter;
    3. de realisatie van de kelder niet leidt tot een verstoring van de grondwaterstromen;
    4. schriftelijk advies gevraagd is aan de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel;
    5. de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien en nadat de onder artikel 33 lid 4.3 sub c genoemde commissie heeft geadviseerd. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met de waarden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1.
    33.4.5 Toevoegen van een loggia
    Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 2.2.6 en toestaan dat een loggia wordt gerealiseerd onder voorwaarden dat:
    1. loggia's zijn uitsluitend toegestaan mits er geen balkon of dakterras mogelijk is;
    2. de loggia bouwkundig inpasbaar is;
    3. er geen aanpassingen plaatsvinden aan de bestaande goot- en nokhoogte;
    4. schriftelijk advies gevraagd is aan de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel;
    5. de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien en nadat de onder artikel 33 lid 4.3 sub c genoemde commissie heeft geadviseerd. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met de waarden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1.
    33.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    33.5.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    Het is verboden op of in de gronden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning verleend door burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, dat geen bouwwerk is, of werkzaamheden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren, behoudens de daarbij vermelde uitzonderingen op dat verbod: 
    1. het rooien van bomen, hagen en andere beplanting, niet behorende tot het normale onderhoud, anders dan nodig is voor de uitvoering van een rechtsgeldige omgevingsvergunning;
    2. het bestraten of herstraten van de gronden, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal, het aanbrengen, wegnemen of veranderen van stoepen, stoepranden, stoeppalen of waterpompen daaronder begrepen;
    3. het bestraten en verharden van de gronden met de bestemming 'Groen';
    4. het schilderen, sauzen of pleisteren van gevels, welke zichtbaar zijn vanaf voor publiek toegankelijk gebied;
    5. het opslaan, deponeren, lozen en/of storten van al dan niet afgedankte en/of aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en/of producten, alsmede het aanleggen en/of inrichten van opslag-, stort- en/of bergplaatsen;  
    6. het dempen van beken, sloten en/of andere waterlopen;
    7. het afgraven en/of ophogen van gronden;
    8. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse leidingen;
    met uitzondering van:
    1. normale onderhoudswerkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het beheer of de voltooiing van werken die op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds bestonden of in uitvoering waren genomen, alsmede werken en/of werkzaamheden die worden of mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende of nog te verlenen vergunning, waaronder mede worden verstaan:
    2. het normale onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming;
    3. de werken en/of werkzaamheden die strekken tot behoud of herstel van de cultuurhistorische waarde van de bouwwerken.
    33.5.2 Voorwaarden
    1. Voor de verlening van de omgevingsvergunning moet in acht worden genomen het hieronder bepaalde onder artikel 33 lid 5.2 sub a  tot en met artikel 33 lid 5.2 sub c.
    2. Aan de omgevingsvergunning mogen voorwaarden worden verbonden mits daarover vooraf schriftelijk advies is gevraagd aan de deskundige als bedoeld onder artikel 33 lid 5.4 sub a
    3. In geval dat de werken of werkzaamheden verstoring van de beeldkwaliteit van het beschermd stadsgezicht en de daartoe behorende bouwwerken in cultuurhistorische of bouwkundige zin tot gevolg hebben, verbinden burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning de voorwaarden dat:
      1. werken worden aangelegd op de wijze die door of vanwege burgemeester en wethouders tijdens het verrichten van de werken of de werkzaamheden wordt aangegeven;
      2. de werken of werkzaamheden worden begeleid door een door burgemeester en wethouders aangewezen deskundige op het gebied van monumenten en cultuurhistorische waarden in het algemeen, aan wiens instructies tijdens het aanleggen gevolg dient te worden gegeven.
    33.5.3 Toelaatbaarheid uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    De werken of werkzaamheden die onder het aanlegverbod vallen, zijn slechts toelaatbaar voorzover het belang dat met de dubbelbestemming wordt gediend, in het bijzonder de karakteristiek van het stadsbeeld, hierdoor niet onevenredig wordt benadeeld.
    33.5.4 Advies omgevingsvergunning
    1. Voor de verlening van de omgevingsvergunning vragen burgemeester en wethouders schriftelijk advies aan de monumentencommissie van de gemeente Zaltbommel. 
    2. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien en nadat de onder artikel 33 lid 5.4 sub a genoemde commissie heeft geadviseerd.
    3. Het schriftelijk advies betreft in het bijzonder:
      1. de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning het belang van de dubbelbestemming niet onevenredig wordt geschaad, in het bijzonder of die omgevingsvergunning niet in strijd is met het beeldkwaliteitsplan voor het beschermd stadsgezicht; en 
      2. de inhoud, strekking en uitvoerbaarheid van de eventueel te stellen voorwaarden aan de omgevingsvergunning.
    33.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
     
    33.6.1 Vergunningplicht
    Het is verboden op of in de gronden zoals bedoeld in artikel 33 lid 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
     
    33.6.2 Uitzondering
    Het bepaalde in artikel 33 lid 6.1  is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, :
    1. die het normale onderhoud betreffen;
    2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    3. waarvoor reeds een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 sub f of artikel 2.2, lid 1 onder b.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vereist (rijks- of gemeentelijk monument).
    33.6.3 Toetsingscriteria
    De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bouwhistorische waarden van de gronden en opstallen.
     
    33.6.4 Onderzoeksplicht en voorwaarden omgevingsvergunning
    1. De in artikel 33 lid 6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend nadat:
      1. een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de bouwhistorische waarden van de te slopen bouwwerken naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd;
      2. naar het oordeel van het bevoegd gezag de bouwhistorische waarden van de te slopen bouwwerken in andere beschikbare informatie afdoende zijn vastgesteld, in welk geval het in artikel 33 lid 6.4 sub a onder 1 genoemde rapport niet nodig is.
    2. In de omgevingsvergunning kunnen nadere voorschriften worden opgenomen in het belang van handhaving van en onderzoek/documentatie bouwhistorische zaken. Hiertoe kunnen in ieder geval de volgende voorschriften behoren:
      1. het opleggen van de verplichting tot het toestaan van het verrichten, door of van gemeentewege, van nader bouwhistorisch onderzoek tijdens de uitvoering van de vergunning;
      2. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de bouwhistorische waarden kunnen worden behouden;
      3. de verplichting de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een erkend bouwhistoricus;
      4. voorschriften in het belang van handhaving van en/óf onderzoek van documentatie bouwhistorische zaken, indien na afweging van belangen bouwhistorisch belangrijke elementen moeten verdwijnen.
     
    Artikel 34 Waterstaat - Waterkering
    34.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de aanleg, het beheer en de bescherming van de waterkering.
      
    34.2 Bouwregels
    Op de in artikel 34 lid 1 bedoelde gronden mogen, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de waterkering, waaronder merktekens en keermuren met een maximale bouwhoogte van 1,5 m.
      
    34.3 Nadere eisen
    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van bouwwerken, in geval dit noodzakelijk is in verband met de aanleg of het functioneren van de waterkering.
      
    34.4 Afwijken van de bouwregels
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 34 lid 2 ten behoeve van op grond van de andere daar voorkomende bestemmingen toegestane bebouwing, mits in dit kader de beheerder van de waterkering wordt gehoord.
     
    34.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    34.5.1 Omgevingsvergunningplicht
    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op en in de in artikel 34 lid 1 bedoelde gronden de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren:
    1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden;
    2. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    3. het planten, vellen of rooien van houtgewas en bomen;
    4. het aanleggen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    5. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    6. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    7. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen of verhardingen ten behoeve van de watersport.
     
    34.5.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning
    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34 lid 5.1  moet worden geweigerd:
    1. indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het beheer en het functioneren van de waterkering en daaraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen;
    2. indien is gebleken dat de in artikel 34 lid 5.1 genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan, zullen leiden tot een inbreuk op het beheer en het functioneren van de waterkering.
     
    34.5.3 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht
    Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34 lid 5.1 is vereist voor:
    1. werken en/of werkzaamheden, behorend bij de aanleg van de nieuwe waterkering;
    2. werken en/of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
    3. werken en/of werkzaamheden welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
     
    Artikel 35 Waterstaat - Waterstaatkundige functie
    35.1 Bestemmingsomschrijving
    De voor ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de afvoer van oppervlaktewater, sediment en ijs, voor waterhuishouding, voor verkeer te water en voor aanleg, onderhoud en verbetering van de waterkering.

    35.2 Bouwregels
    Op de in lid 26.1 bedoelde gronden mogen, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van rivierbakening en bouwwerken ten behoeve van de Rijkswaterstaat.

    35.3 Afwijken van de bouwregels
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2 ten behoeve van op grond van de andere daar voorkomende bestemmingen toegestane bebouwing, mits in dit kader de waterbeheerder wordt gehoord.

    35.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
    35.4.1 Omgevingsvergunningplicht
    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op en in de in lid 26.1 bedoelde gronden de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren:
    1. het ophogen of egaliseren van het huidige maaiveldniveau;
    2. het aanbrengen van beplantingen en/of bomen;
    3. het dempen van watergangen;
    4. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen.
    35.4.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning
    Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 26.4.1 moet worden geweigerd:
    1. indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het beheer en het functioneren van de waterkering en daaraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen;
    2. indien is gebleken dat de in lid 26.4.1 genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan, zullen leiden tot een inbreuk op het beheer en het functioneren van de waterkering.
    35.4.3 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht
    Geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 26.4.1 is vereist voor:
    1. werken en/of werkzaamheden, behorend bij de aanleg van de nieuwe waterkering;
    2. werken en/of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
    3. werken en/of werkzaamheden welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
    3 Algemene regels
      
    Artikel 36 Anti-dubbeltelregel
    Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waarvan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
      
    Artikel 37 Algemene bouwregels
    1. De in deze regels opgenomen bepalingen ten aanzien van bouwgrenzen en bouwen ten dienste van bestemmingen zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen met betrekking tot:
      1. ondergeschikte delen van bebouwing zoals plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, kroonlijsten e.d., indien
      2. daken, overbouwingen, en luifels, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 50 cm overschrijden;
      3. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voorzover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevelrooilijn met meer dan 1 m overschrijden. 
    2. Hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan middels een daartoe verleende vergunning binnen het plangebied aanwezig/opgericht zijn maar in strijd zijn met dit bestemmingsplan, worden geacht aan dit bestemmingsplan te voldoen.
     
    37.1 Cultuurhistorische bouwelementen
    37.1.1 Cultuurhistorische bouwelementen
    Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische bouwelementen' wordt gestreefd naar behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden van de op deze gronden aanwezige bouwwerken. De bouwwerken dienen qua profiel, bouwmassa, gevelkarakteristiek, detaillering, kleur- en materiaalgebruik, situering en oriëntatie behouden te blijven. Het behoud van de verschijningsvorm heeft hoge prioriteit.

    37.1.2 Verbod
    Het is verboden de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische bouwelementen' te slopen of zodanig te veranderen dat een aantasting ontstaat van de aanwezige cultuurhistorische waarden, zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag.
     
    37.1.3 Uitzondering op het verbod
    Het bepaalde onder artikel 37 lid 1.2 is niet van toepassing voor werken en werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, afwijking of anderszins mogen worden uitgevoerd.

    37.1.4 Voorwaarden omgevingsvergunning
    Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 37 lid 1.2 wordt slechts verleend indien daardoor geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de in artikel 37 lid 1.1 bedoelde waarden danwel indien oorzaken van bouwtechnische aard het voortbestaan van het bouwwerk in gevaar brengen.
    Artikel 38 Algemene gebruiksregels
    38.1 Parkeren
    1. Voor het parkeren van motorvoertuigen en/of fietsen, alsmede voor het laden of lossen van goederen dienen voldoende voorzieningen te worden getroffen op het betreffende bouwperceel, tenzij hierin op een andere wijze wordt voorzien.
    2. Bij de beoordeling van de benodigde voorzieningen wordt de gemeentelijke parkeernota gehanteerd en aanvullend, voor zowel maatvoering als normering, de ASVV van CROW (2012).
     
    Artikel 39 Algemene aanduidingsregels
    39.1 Overige zone - tijdelijk gebruik
    De gronden gelegen binnen de Overige zone - tijdelijk gebruik kunnen, vooruitlopend op de verwezenlijking van de enkelbestemmingen tijdelijk gebruikt worden voor tuinen zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 met dien verstande dat er niet overeenkomstig dit artikel gebouwd mag worden.

    39.2 Overige zone - ecologische verbindingszone
    Ter plaatse van de aanduiding 'ehs' zijn de gronden tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken, alsmede het voorkomen van significante effecten op kernkwaliteiten en omgevingscondities die van invloed zijn op de EHS.
    Artikel 40 Algemene afwijkingsregels
    40.1 Maten en maatvoeringen
    Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijking van de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van deze gegeven maten met dien verstande dat er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan:
    1. het woon- en leefklimaat,
    2. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving,
    3. de waterhuishouding.
    40.2 Bed & breakfast
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de inrichting en het gebruik van woningen dan wel (vrijstaande) bijhehorende bouwwerken ten behoeve van Bed & breakfast, waaronder wordt verstaan een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt en bedoeld voor kortstondig, wisselend recreatief verblijf, indien en voor zover:
    1. het betreft een woning, dan wel bijbehorende bouwwerken bij een woning, die tevens bewoond blijft;
    2. geen groter vloeroppervlak dan 45% van de op het perceel aanwezige bebouwing ten behoeve van Bed & breakfast in beslag wordt genomen;
    3. niet meer dan 7 slaapkamers, ten behoeve van maximaal 10 personen, van de betreffende woning worden ingericht en gebruikt voor Bed & breakfast;
    4. de Bed & breakfast voorziening niet functioneert als een zelfstandige woning;
    5. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of anderzins voorzien wordt in een duurzame parkeergelegenheid;
    6. van tevoren in voldoende mate is verzekerd dat het beoogde gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen of voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
    40.3 Evenementen
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het gebruik van gronden voor het houden van meerdaagse evenementen, waaronder worden verstaan kermissen, jaarmarkten, tentfeesten en daarmee vergelijkbare evenementen.
     
    40.4 Grenzen en aanduidingen
    Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan ten behoeve van:
    1. het afwijken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein en er geen dringende redenen zijn die zich tegen de afwijking verzetten, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 2,5 m;
    2. het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 2,5 m;
    3. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.
    40.5 Monumenten
    40.5.1 Herstel / herbouw
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de instandhouding, dan wel het herstel of de herbouw van bouwwerken, indien en voor zover de instandhouding, dan wel het herstel of de herbouw, noodzakelijk is om te voldoen aan het bepaalde in de Monumentenwet.
     
    40.5.2 Bouwwerken
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het bouwen van bouwwerken op een erf dat behoort bij een Rijks- of gemeentelijk monument, mits:
    1. de bouwwerken een meerwaarde geven aan de (het) aanwezige (ensemble van) monumentale bebouwing;
    2. alle niet bij het monumentale karakter passende bebouwing wordt gesloopt;
    3. de Monumentencommissie is gehoord en een positief advies heeft gegeven.
    40.5.3 Extra woning monument / karakteristiek pand
    Het bevoegd gezag kan, gehoord de Monumentencommissie, eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de realisering van één extra woning, indien en voor zover:
    1. de extra woning wordt gerealiseerd binnen de bestaande inhoud van een gebouw dat tevens is aangemerkt als Rijksmonument of gemeentelijk monument overeenkomstig de Monumentenwet of de gemeentelijke Monumentenverordening, dan wel is aan te merken als karakteristiek en wordt gerealiseerd met als oogmerk de karakteristiek van het desbetreffende gebouw in stand te houden, dan wel te herstellen, en;
    2. de extra woning een inhoud heeft van tenminste 300 m³.
    40.6 Nutsvoorzieningen
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan ten behoeve van de bouw van bouwwerken voor nutsvoorzieningen zoals pompgemalen, verdeel-, regel- of transformatorruimten, telefooncentrales, telefooncellen, geldautomaten en abri's, waarvan de inhoud niet meer mag bedragen dan 50 m³ en de hoogte niet meer mag bedragen dan 3 m, alsmede voor beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen met geen grotere hoogte dan 6 m en lichtmasten en vlaggenmasten met geen grotere hoogte dan 10 m.
     
    40.7 Kleinschalige voorzieningen in de toeristische en recreatieve sector
    Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het gebruik van gronden ten behoeve van kleinschalige voorzieningen in de toeristische en recreatieve sector, mits voldaan wordt aan het volgende:
    1. op eigen terrein dan wel in de directe omgeving voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid;
    2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefmilieu;
    3. er vindt geen milieubelemmering plaats voor omliggende functies en bedrijven;
    4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersveiligheid;
    5. er ontstaat geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving.
    40.8 Wonen boven winkels
    Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan ten einde extra woningen boven winkels toe te staan met dien verstande dat:
    1. deze afwijking alleen kan worden toegepast bij panden met de bestemming Centrum - 1, Centrum -2, Centrum - 3 of Centrum - 4;
    2. de minimale inhoud van de woning na afwijking 150 m3 bedraagt;
    3. de cultuurhistorische en/of architectonische waarden van de bebouwing behouden blijven dan wel wordt versterkt;
    4. geen onevenredige aantasting van of hinder voor omliggende waarden c.q. functies ontstaan;
    5. het aantal woningen stedenbouwkundig goed inpasbaar is;
    6. voorzien kan worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernormen;
    7. de totstandkoming van een aanvaardbaar woonmilieu in de woningen gegarandeerd kan worden;
    8. de bouwmassa niet toeneemt, wat tot uitdrukking zal worden gebracht door een op de functie afgestemd bouwvlak;
    9. voorzien wordt in de gemeentelijke plankosten en het plan financieel uitvoerbaar is.
    40.9 Samenvoegen van woningen
    Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de bepalingen van dit plan ten behoeve van het samenvoegen van woningen, met dien verstande dat:
    1. deze panden aan de voorgevel als afzonderlijke panden herkenbaar dienen te blijven;
    2. aan de voorzijde van een pand ten minste een gedeelte van de scheidingsmuur over een lengte van minimaal 4 meter blijft gehandhaafd, behoudens een eventuele doorgang met een breedte van maximaal 1,5 meter;
    3. de breedte na samenvoeging niet meer dan 15 meter zal bedragen;
    4. alvorens afwijking te verlenen de resultaten van bouwhistorisch onderzoek aangaande de te verwijderen (delen van) scheidingsmuren overlegd dienen te worden, behoudens ingeval slechts doorgangen worden gemaakt.
    Artikel 41 Algemene wijzigingsregels
     
    41.1 Wijziging van maten en maatvoeringen
    Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, burgemeester en wethouders  wijzigen ten behoeve van het verruimen van maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% met dien verstande dat er geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan:
    1. de cultuurhistorische waarden van het gebied;
    2. het woon- en leefklimaat;
    3. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
    4. de waterhuishouding.
    41.2 Nutsvoorzieningen
    Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening, wijzigen waarbij gronden worden bestemd voor de bouw van bouwwerken voor verdeel-, regel- en transformatorruimten, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen;
    2. de inhoud niet meer dan 150 m³ mag bedragen.
    41.3 Wijzing naar Wonen
    Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening, wijzigen waarbij de bestemming Bedrijf, Cultuur en ontspanning, Detailhandel, Dienstverlening, Gemengd, Horeca, Kantoor, Maatschappelijk gewijzigd kan worden naar Wonen - 1 of Wonen -2 met dien verstande dat:
    1. de (bedrijfs-)functie is komen te vervallen;
    2. overtollige bedrijfsgebouwen gesloopt worden;
    3. de cultuurhistorische en/of architectonische waarden van de bebouwing behouden blijven dan wel wordt versterkt;
    4. geen onevenredige aantasting van of hinder voor omliggende waarden c.q. functies ontstaan;
    5. het aantal woningen stedenbouwkundig goed inpasbaar is;
    6. voorzien kan worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernormen;
    7. de totstandkoming van een aanvaardbaar woonmilieu in de woningen gegarandeerd kan worden;
    8. de bouwmassa niet toeneemt, wat tot uitdrukking zal worden gebracht door een op de functie afgestemd bouwvlak;
    9. voorzien wordt in de gemeentelijke plankosten en het plan financieel uitvoerbaar is.
    Artikel 42 Bestaande maten
    1. Indien maten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge de bepalingen van hoofdstuk 2 toelaatbaar is, mogen deze maten als maximaal toelaatbaar worden aangehouden, maar niet verder worden vergroot. 
    2. In het geval van (her)bouw van gebouwen is het bepaalde in artikel 42 sub a  uitsluitend van toepassing indien sprake is van (her)bouw op dezelfde plaats.
     
    4 Overgangs- en slotregels
    Artikel 43 Overgangsrecht
    43.1 Overgangsrecht bouwwerken
    1. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
      1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
      2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
    2. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%.
    3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
     
    43.2 Overgangsrecht gebruik
    1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
    2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
    3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
    4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
     
    Artikel 44 Slotregel
    Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Zaltbommel, Binnenstad".